De echo van een stereotype

Montesquieu is met name beroemd geworden om zijn leer van de Trias Politica, het staatsmodel waarbij de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht verspreid liggen over drie van elkaar gescheiden organen. In een democratie respectievelijk de volksvertegenwoordiging, de regering en de rechters. Veel minder bekend is dat hij in hetzelfde boek De l'esprit des lois zijn theorie uiteenzet dat de noodzakelijke wetgeving in een land mede afhankelijk is van het daar heersende klimaat.

Wetten zijn nodig om het menselijk gedrag in goede banen te leiden en dat gedrag staat onder de invloed van het klimaat. In zuidelijke, warme streken zijn de bewoners emotioneler dan in de noordelijke kou en daar moeten striktere regels tegenover staan. Montesquieu volgde daarbij een achttiende eeuwse fysiologische redenering. Warmte doet volgens zijn theorie de huid ontspannen, waardoor de zenuwuiteinden meer bloot staan aan prikkels van buiten, wat leidt tot een grotere gevoeligheid voor pijn, lust en emoties, onder meer gevolgd door daarbij passend impulsief en gepassioneerd gedrag. Bij koude worden de zenuwen juist ongevoeliger.

Montesquieu gaf toe dat zijn stelling grote overeenkomst vertoonde met bestaande stereotypen, maar geloofde ook dat het om meer dan stereotypen ging: om werkelijk bestaande karakterverschillen tussen bevolkingsgroepen. Een Belgische en twee Amerikaanse sociaal psychologen hebben na ruim twee eeuwen geprobeerd een empirische basis te vinden voor dit geloof. Hun onderzoek was gericht op twee vragen. Bestaat het door Montesquieu genoemde noord-zuid verschil nog steeds als stereotype? En had hij gelijk dat het berust op werkelijk bestaande karakterverschillen.

Aan drieduizend studenten, verspreid over 26 landen, werden vragenlijsten voorgelegd. Uit de onlangs gepubliceerde resultaten blijkt dat in elk geval in veel landen van Europa en Azië (the Old World) het stereotype nog volop aanwezig is. Bovendien blijkt dat de noordelijker bewoners door hun landgenoten zowel als door henzelf als minder gepassioneerd en expressief worden gezien dan die in het zuiden. De grootste verschillen gelden voor Japan, Italië, Spanje en Zwitserland. Helaas zit er geen Nederlandse steekproef in het onderzoek, maar het laat zich aanzien dat zich hier een effect van 'onder en boven de rivieren' zou voordoen.

Zonder oneerbiedig te willen zijn ten opzichte van Montesquieu kan de conclusie niet anders luiden dan dat deze verschillen niet met een beroep op objectief meetbare klimaatsverschillen kunnen worden verklaard. Misschien zou zoiets nog wel op kunnen gaan voor Italië, maar toch bijvoorbeeld niet voor Duitsland. En ook het feit dat in het langgerekte Engeland de noordelijken juist gepassioneerder werden gevonden onttrekt zich aan een verklaring via zijn klimaatstheorie.

Een noord-zuid verschil als stereotype dat in veel landen werkzaam is moet uit andere bron voortkomen. Intrigerend is het gegeven dat het verschijnsel zich in the New World van Australië, Canada en Nieuw Zeeland niet leek voor te doen. Dat zou er op kunnen wijzen dat stereotypen ontstaan in een lange geschiedenis, aan het begin waarvan ze misschien wel degelijk op feiten konden berusten, omdat groepen bewoners geïsoleerd ten opzichte van elkaar woonden en over en weer als anders werden beleefd.

Een vergelijkbare gedachte is te lezen in National Character and National Stereotypes, een rapport dat de Amsterdamse hoogleraar Duijker in 1960 samen met Frijda en mede in opdracht van de UNESCO schreef over bijna duizend tot dan toe her en der in de wereld verschenen publicaties over nationale karakterverschillen. Soms berustend op persoonlijke impressies, soms op onderzoek. De auteurs lieten zich daar kritisch uit over het beschikbare onderzoek. Op basis daarvan was volgens hen geen conclusie te trekken over het bestaan van streek- of landgebonden karakterverschillen.

Misschien, schreven zij onder meer, is het een illusie, een manier van denken die is blijven bestaan uit de oudheid toen de bevolking van de kleine stadstaten een kenmerkende karakterstructuur kunnen hebben gehad. Dicht op elkaar binnen eenzelfde geografie - een haven, een bergpas, een eiland - met veelal dezelfde bron van levensonderhoud, grote sociale controle en sterke tradities. Men zou er nog de niet door Duijker en Frijda genoemde beperkte keuze in huwelijks- en voortplantingspartners aan kunnen toe voegen. Deze factoren zouden te zamen een zekere mate van karakterhomogeniteit hebben kunnen bewerkstelligen. Maar wat eens een 'valid description' was 'might degenerate into a stereotype'.

Ik las het rapport dezer dagen omdat ik betrokken was bij de organisatie van de afgelopen woensdag door cultuursocioloog Hofstede gehouden Duijkerlezing over 'Hoe Nederlands kan Nederland blijven binnen een verenigd Europa'. Dit thema gaat er dus impliciet van uit dat er zoiets als typisch Nederlandse karaktertrekken bestaan. Duijker zou waarschijnlijk de vraag hebben gesteld: “Hoe weet u dat? Gaat u uit van een stereotype of hebt u daar systematisch, vergelijkend, crosscultureel en liefst ook multidisciplinair onderzoek naar gedaan?”

Hofstede zou daar 'ja' op hebben kunnen antwoorden. Het onderzoek waar hij zijn betoog op baseerde, en dat ook is te vinden in zijn boek Allemaal Andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen is niet gericht op verschillen in persoonlijkheid, maar in cultuur. Het gaat niet zozeer om kenmerken van individuen, maar veeleer om die van omgangsvormen, instituties en waardepatronen. Er komen voor Nederland geen concrete karaktertrekken uit het onderzoek te voorschijn, maar een combinatie van abstracte dimensies. Het leven, beleven en laten leven in ons land is, vergeleken met andere landen, doortrokken van betrekkelijk kleine machtsverschillen tussen mensen en een redelijk openstaan voor het onbekende (relatief lage 'onzekerheidsvermijding'). Daarnaast door een sterk individualisme en elkaar overlappende sociale rolpatronen van mannen en vrouwen. Hofstede spreekt in dit verband van een 'mentale voorprogrammering' van de burgers. En daarmee uiteraard ook van de volksvertegenwoordigers, regeerders en rechters. En het is waarschijnlijk typisch Nederlands van mij om deze combinatie van de vier kenmerken prettig te vinden.