Coach Agnes Brunninkhuis wil graag met een stel lange mannen werken; 'Vrouwen kunnen eeuwenlang boos zijn'

Wordt Agnes Brunninkhuis de eerste vrouwelijke coach in de top van een mannensport? Ze heeft een aanbod van een topclub uit het volleybal. Maar de ex-international had net besloten te stoppen met coachen. Nu twijfelt ze weer. “Zo'n kans krijg ik nooit meer.”

AMSTELVEEN, 23 MAART. Het trainen van een goede mannenploeg is altijd haar grote wens geweest. “Het lijkt me een enorme kick om met een stel van die lange mannen te werken”, zegt Agnes Brunninkhuis. “Dat zij precies doen wat jij zegt, fantastisch! Ik hou van die directe benadering in de mannensport. Vrouwen kunnen enorme trutten zijn. Ze zijn soms haatdragend en kunnen over bepaalde dingen blijven doorzeiken.”

De 33-jarige Brunninkhuis - 180-voudig international - is pas aan haar tweede jaar als trainer-coach bezig. In haar debuutseizoen werd ze meteen landskampioen met de vrouwen van Link/AMVJ. “We waren niet eens zo goed, maar we hadden wel een hechte ploeg. Ik heb veel steun gekregen van Geert Trompetter, mijn assistent. Ik had de ballen verstand van coachen. Dat was ook niet erg. Je hoeft niet eens zó veel van volleybal te weten. Als je alles maar op gevoel doet. Ik ben een goede teambuilder.”

AMVJ kan dit seizoen de titel nog prolongeren. De Amstelveense ploeg deelt de eerste plaats met VVC en vandaag wordt de laatste competitieronde gespeeld. Als beide clubs winnen, volgt er een beslissingswedstrijd, waarschijnlijk komende woensdag in Breda. Daarna zit het werk van Brunninkhuis er bij AMVJ op. “Ik had geen sociaal leven meer, geen bioscoopje, niet gezellig naar een restaurant”, legt ze uit. “Ik heb een zoon en toen we in de Champions League speelden, moest ik gemiddeld vier dagen in de week een oppas zoeken. Dat is te gek.” Ze voelt er ook niet voor om haar driedaagse baan bij een accountantskantoor in te leveren voor het volleybal. “De sportwereld is voor mij te klein om er full-time in bezig te zijn.”

Het kostte Brunninkhuis wel even om tot een besluit te komen. “Want die sportieve geiligheid raak je nooit kwijt.” Ze legde thuis in Abcoude twee vellen papier op de keukentafel en schreef de voors en tegens op. “Die lijst van tegens werd wel erg lang. Dus heb ik besloten er mee op te houden.” Er is gesuggereerd dat ze stopt omdat de prestaties van AMVJ in de Champions League haar zijn tegengevallen. “Wie mij een beetje kent, weet dat dat niet zo is. Als iets niet lukt, is dat voor mij een reden om mijn tanden er in te zetten. Dan ga ik juist door.”

En toen kwam plotseling dat telefoontje uit de mannen-eredivisie. De naam van de club wil ze niet noemen. Het is in elk geval niet Link/AMVJ. “Het is echt een van de topteams uit Nederland”, zegt Brunninkhuis enthousiast. “Dat bestuur ziet het in mij zitten en besloot We halen Agnes. Te gek, hè. Het is een enorme uitdaging. Daar heb ik altijd van gedroomd.”

Het is te mooi om het aanbod zo maar opzij te schuiven. Van haar man mag ze. Toch is de kans groot dat Brunninkhuis het niet doet. Morgen hakt ze de knoop door. “Ik heb er slapeloze nachten van. Ik word gek van mezelf. Zo'n kans krijg ik nooit meer, besef ik.” Ze zegt te weten dat ze het werken met een mannenploeg aankan. “Ik zal me als vrouw moeten bewijzen. Die jongens zullen zich in het begin ook wel afvragen: 'Wat moeten we hier nu mee?' Maar ik moet gewoon mezelf blijven en als ik me goed manifesteer, zullen ze me accepteren. Ik zal laten zien dat ik het kan.”

Een dramatische gebeurtenis in april 1993 maakte haar zelfverzekerder. Agnes Brunninkhuis werd getroffen door een hersenbloeding en ze was vijf dagen “van de wereld”. Het deed haar bepaalde dingen anders zien. “Ik ben mezelf belangrijk gaan vinden. Het kan me niet meer schelen of mensen mij een trut vinden, arrogant, of wat dan ook. Ik weiger mezelf nog weg te cijferen.”

De volleybalster groeide diep verscholen in het Twentse land op, in Reutum. Ze was met haar tweelingzus Els de jongste in een gezin met tien kinderen. Haar vader overleed toen ze nog jong was. Daarna moest iedereen de handen uit de mouwen steken om het huishouden draaiende te houden. Het was, zoals ze zegt, haar eerste kennismaking met teambuilding. Vooral haar vijf broers deden “veel baanbrekend werk” voor haar. Mede daardoor doorstond ze later de verhuizing van de provincie naar het wereldse Italië. Brunninkhuis won in 1985 met de Nederlandse ploeg een bronzen medaille bij het Europees kampioenschap en kreeg een contract bij Bologna.

Van de toenmalige bondscoach Peter Murphy stak ze veel op. “Hij heeft me mentaal sterk gemaakt. Hij liep me vaak te sarren, hard, keihard. Soms stonden de tranen in mijn ogen. Klootzak, moet je mij weer hebben? Nu begrijp ik het wel. Ik was best lui.” Ze is nu als coach op zijn tijd ook hard. “Soms moet dat. De speelsters moeten daar maar mee leren omgaan. Wie er niet tegenkan, moet lekker weggaan. Het is topsport. Je moet ook wel voor evenwicht kiezen. Ik deel ook regelmatig complimenten uit.”

“Ik word weleens ziek van het onderlinge gezeik”, zegt Brunninkhuis over het werken met sportvrouwen. “Ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Ze zijn anders dan mannen die elkaar verrot schelden en dan alles zijn vergeten. Vrouwen kunnen eeuwenlang boos zijn. Ik heb het meegemaakt dat in de tijd dat ik zelf nog speelde een ploeggenote naar me toekwam en me vertelde dat ik drie weken geleden in de wedstrijd vervelend tegen haar was geweest. Oké, dat was waar, maar waarom komt ze daar dan niet eerder mee? Vrouwen willen ook altijd weten waarom ze bepaalde dingen op de training moeten doen. Maar als ze je eenmaal vertrouwen, zijn ze erg volgzaam. Dan trainen ze harder dan mannen.”

Brunninkhuis heeft een gruwelijke hekel aan lanterfanten, aan slap gedoe. “De ploeg die ik coach moet kracht, macht en snelheid uitstralen. Fel rood, dat is de kleur die erbij hoort. Wat heb ik aan een speler die er geen plezier in heeft of niet serieus is? Rot dan toch op! Ik ben zelf altijd een ontzettende knokker geweest. Ik ben een leeuwin.”

Ze vergeleek vorig jaar in de rubriek 'Vrouwen over voetbal' in Voetbal International Dennis Bergkamp met “een zak patat die geen uitstraling heeft”. Ze lacht bij de herinnering. “Daar heb ik me toch een reacties op gehad, ongelooflijk. Wie ik wel was om dat te zeggen. Oké. Ik ben dus Agnes. En als mij iets wordt gevraagd, geef ik daar antwoord op. Ik zie bij Bergkamp geen beleving, niets.”

Ze herkent veel van haar eigen felheid bij haar nu zeven maanden oude zoon Kai. In de buik van zijn moeder maakte hij het laatste deel van het afgelopen kampioensjaar mee. “We verloren op het laatst nog twee wedstrijden. Ik voelde het kind helemaal meedeinen. Hij schrok zich soms te pletter als ik van de bank opsprong. Dan kreeg ik weer een schop. Als ik hem nu zie, altijd enthousiast, altijd lachen, dan heeft hij dat misschien wel van toen meegekregen.”