Apologie

G.B.J. HILTERMANN: G.B.J.'s kijk op zijn tijd. Belevenissen, herinneringen en overpeinzingen uit de twintigste eeuw

230 blz., geïll., SDU 1995, ƒ39,90

Journalisten die hun memoires schrijven, zijn in Nederland uitzonderlijk.

Ook uitzonderlijke journalisten stellen hun herinneringen zelden te boek.

G.B.J. Hiltermann, radiocommentator, Telegraaf-columnist en oud-hoofdredacteur van Elsevier en de Haagse Post, heeft zich niet laten weerhouden door het ontbreken van een traditie op dit gebied en zich evenmin laten afschrikken door valse bescheidenheid of het jaloerse verwijt van ijdelheid. De memoires van Hiltermann beslaan een kleine honderd bladzijden in G.B.J.'s kijk op zijn tijd, dat voor de rest gevuld is met korte, betrekkelijk onpersoonlijke columns over 'de toestand in de wereld', analoog aan zijn bekende radio-praatjes.

De journalistieke herinneringen zijn beperkt tot de periode 1933-1956. Genoeg echter om een beeld te krijgen van Hiltermanns visie op de journalistiek.

Toen de nazi's in 1940 Nederland bezetten, was Hilterman verbonden aan De Telegraaf, waar hij tot mei 1942 is blijven werken. Na de oorlog is hem regelmatig verweten - zo schrijft hij zelf - dat hij zijn werkzaamheden niet onmiddellijk in 1940 heeft gestaakt. Zijn memoires gebruikt hij voor een nog niet eerder gepubliceerde verdediging. Hij vermeldt daarin dat hij in mei 1942 bij De Telegraaf wegging omdat de bezetter voorschreef dat de krant een antisemitisch artikel plaatste. De voorafgaande twee jaren wuift hij min of meer weg.

De bezetters waren “niet onredelijker dan van bezetters verwacht kon worden”, al moest er rekening gehouden worden “met enkele aanwijzingen en verboden”. Dat zijn joodse collega's “op wachtgeld” gesteld werden, was volgens Hiltermann “niet onlogisch”, want “men kon bezwaarlijk van een Joodse redacteur buitenland vergen het jubelende communiqué van (...) de Wehrmacht persklaar te maken”.

Impliciet staat hier dat zulks van niet-joodse redacteuren dus wel kon worden verwacht.

Uit Hiltermanns memoires spreekt een merkwaardige tegenstrijdigheid: enerzijds noemt hij zichzelf een onafhankelijke commentator, anderzijds getuigt hij van meegaandheid met het gezag. Dit komt het sterkst naar voren in zijn beschouwingen over het koninklijk huis, waarover volgens hem in het belang van de natie niet kritisch mag worden geschreven. Dat het gros van de Nederlandse journalisten het liet afweten tijdens de Greet Hofmans-affaire, die in 1956 bijna een constitutionele crisis teweegbracht, valt naar zijn oordeel te billijken: “Er werd niets onderzocht. Niet omdat de pers te lui of serviel was.

Evenmin omdat het de regering aan moed ontbrak. Het was omdat (...) land en volk er niet bij gebaat zijn als onthullingen het beeld van de verheven constitutionele vorst ontluisteren.'

Typerend voor deze naar huidige journalistieke maatstaven vooringenomen houding is zijn verhandeling over zijn relatie (en die van zijn krant) met Colijn in de jaren dertig: “Ook de hoofdredactie van De Telegraaf achtte hem de beste leidsman voor ons land en steunde zijn politiek en verkiezingscampagnes. Ik bracht hem enkele malen vertrouwelijke boodschappen over.”

Machthebbers hielden ook van Hiltermann. Zijn boek is verluchtigd met een serie foto's van Hiltermann met Josef Luns, Hiltermann met de Tunesische president Habib Bourguiba, Hiltermann met de Oostenrijkse kanselier Bruno Kreisky, Hiltermann met premier Biesheuvel, Hiltermann met Arafat, Hiltermann met Willy Brandt en Hiltermann met Prins Bernhard.

De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat hij ook een een minder flatteuze foto van zichzelf met twee grommende tekkels heeft afgedrukt, waarop een enveloppe te zien is, geadresseerd aan “de verdierlijkte handlanger van het Amerikaanse grootkapitaal mr. G.B.J. Hiltermann”. De enige zelfrelativering in een apologetisch boek.