Afrikaanse regeringen willen met meerpartijenverkiezingen aan legitimiteit winnen; Neokolonialisme uit de stembus

In 1996 worden in een groot aantal Afrikaanse landen nieuwe presidenten en parlementen gekozen. Zimbabwe, Benin en Sierra Leone hebben zojuist gestemd, onder andere in Oeganda komen nog verkiezingen. Na de ineenstorting van de een-partijenregimes op het continent zijn op westerse leest geschoeide meer-partijenverkiezingen de norm. Maar schiet Afrika daarmee iets op?

'Meer-partijenverkiezingen kunnen in Afrika slechts het eindpunt zijn van een democratiseringsproces, niet het beginpunt.'

Het gebeurde vorig jaar oktober, juist na de verkiezingen in de Westafrikaanse staat Ivoorkust. De chauffeur van mijn auto reed per ongeluk een afgezette straat in en kwam uit bij het paleis van de juist herkozen president Bédié. Onmiddellijk kwamen er soldaten op onze auto af, die de chauffeur afblaften en zijn rijbewijs in beslag namen. Terwijl de chauffeur het document terug probeerde te krijgen maakte een andere automobilist dezelfde fout. Ook op die auto stormden de soldaten af maar het vervolg was heel anders. De chauffeur sprak de soldaten toe in het Baoulé, de taal van de etnische groep waar Bédié toe behoort. Dat had onmiddellijk effect: hij kreeg zijn rijbewijs terug en werd vriendelijk gegroet toen hij weer wegreed.

Mijn chauffeur vertrok zonder rijbewijs en terug in de auto explodeerde hij van woede. “De Baoulé hebben de verkiezingen gewonnen. De komende jaren zal dit steeds zo gaan”, brieste hij.

Meer-partijenverkiezingen zijn in Afrika sinds de geleidelijke ontmanteling van de een-partijregimes op het continent aan het einde van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig, een vast deel geworden van het politieke leven op het continent. Internationale donoren steunen de meer-partijenverkiezingen meestal van harte omdat zij, met het oog op het eigen electoraat thuis, liever een 'democratisch' gekozen regering steunen dan een autocratisch bewind. Ook de zittende regering heeft meestal weinig bezwaar tegen stemmende burgers, omdat zij het maar zelden aflegt tegen de oppositie en door de verkiezingen in de ogen van de internationale gemeenschap aan legitimiteit wint. Maar schiet Afrika er uiteindelijk iets mee op?

Ivoorkust wordt beschouwd als een van de meest 'verwesterde' landen in West-Afrika. De Ivoriaanse elite ging in Frankrijk naar de universiteit of zelfs een grande école en zegt te geloven in de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap van de Franse revolutie. Op het moment dat de verkiezingen vorig jaar plaatshadden kwam de Ivoriaanse economie juist uit een diep dal tevoorschijn. Door de devaluatie van de munteenheid met maar liefst vijftig procent waren de exporten, met name die van cacao, weer aangetrokken en ook met het toerisme ging het goed. Als verkiezingen ergens in Afrika goed moeten verlopen, dan zou het toch wel in Ivoorkust moeten zijn.

Het liep allemaal anders. President Bédié was wat minder zeker van zijn zaak dan hij achteraf bekeken misschien had hoeven zijn.

Hij liet een wet aannemen in het parlement waarin zulke strenge eisen werden gesteld aan de nationaliteit van kandidaten bij de presidentsverkiezingen dat zijn voornaamste concurrent, de in Burkina geboren Ouattara, niet aan de stembusstrijd kon meedoen. Deze wet leidde in Ivoorkust tot een fel debat over wie nu 'echt' Ivoriaan is. Immigranten uit Mali en, vooral, Burkina Faso kregen het hierdoor in de aanloop tot de verkiezingen steeds moeilijker en werden steeds vaker door de politie lastig gevallen. Maar ook 'echte' Ivorianen uit het noorden van het land, en dan met name moslims, voelden zich opeens tweede-klasburgers. Gezien alle commotie rond de wet besloot de oppositie zich uit de stembusstrijd terug te trekken. De verkiezingen hadden plaats en volgens internationale waarnemers waren ze zelfs democratisch, maar het zal de nieuwe, door Baoulé's gedomineerde, regering nog jaren bezighouden om de door de verkiezingen geaccentueerde etnische en religieuze scheidslijnen te verzachten, als ze dat al zou willen.

Sierra Leone is een ander voorbeeld dat aantoont hoe weinig zinvol op westerse leest geschoeide meer-partijenverkiezingen in de Afrikaanse context vaak kunnen zijn. Op het eerste gezicht resulteerde de stembusstrijd in hartverwarmende beelden. Kiezers trotseerden dreigementen van de rebellen van het Revolutionaire Verenigde Front (die vorig jaar in een aantal dorpen de rechterhand afhakten van mensen die zeiden te willen stemmen) en maakten massaal de gang naar het stemlokaal. Daar ontstond een sfeer die even deed denken aan die in Zuid-Afrika ten tijde van de eerste vrije algemene verkiezingen in 1994. Er werd gedanst en gezongen. Sierra Leone zou nooit meer hetzelfde zijn, zo was het algemene gevoelen.

Bij nader inzien blijkt het verkiezingsfeest echter een nogal wrange, Macchiavellistische bijsmaak te hebben. Zo was het voor eenieder die Sierra Leone vorig najaar bezocht tijdens de voorbereidingen van de verkiezingen, zonneklaar dat het bij de stembusstrijd inhoudelijk gezien eigenlijk nergens om ging. “Ik kan u niet zeggen hoe de politieke partijen hier van elkaar verschillen”, zei professor Bob Kandeh, een vooraanstaand lid van de nationale kiescommissie toen. “Ik denk dat er inhoudelijk nauwelijks verschillen zijn. Elke partij is niets anders dan een club ambitieuze mensen die allemaal president willen worden.”

“De verkiezingen hebben slechts tot doel om een regering van marionetten aan de macht te brengen. Als er een democratisch gekozen nationale regering is, wordt het voor iedereen gemakkelijker om het in feite neokoloniale systeem te accepteren”, aldus een prominent zakenman in Freetown. Die opmerking komt niet geheel uit de lucht vallen. In ruil voor hulp van Zuidafrikaanse huurlingen in de strijd tegen de rebellen van het RUF (het Revolutionaire Verenigde Front) heeft het regime in Freetown immers zijn belangrijkste bron van rijkdom, de diamantwinning, uit handen gegeven. Een regering zonder militaire en economische soevereiniteit heeft weinig in de melk te brokkelen.

Niet alleen in Sierra Leone zijn de marges van de keuze bij verkiezingen nauw. Om een strijd tussen grote ideologieën gaat het bij verkiezingen in Afrika nauwelijks. De meeste Afrikaanse politici beseffen dat er geen alternatief is voor het door de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds voorgeschreven beleid van devaluaties, privatiseringen en een afslanking van de overheidsbureaucratie. Afrika moet zijn eigen huis op orde brengen omdat alleen dan buitenlandse investeerders op het continent willen gaan investeren, zo is de consensus.

Maar het is juist die consensus die meer-partijenverkiezingen zo gevaarlijk kan maken. Bij gebrek aan 'echte' strijdvragen komt de nadruk al snel op kwesties als godsdienst en etniciteit te liggen.

Dat risico is des te hoger omdat veel Afrikaanse landen vooralsnog alleen de lasten van het hervormingsbeleid hebben gesmaakt en nog niet de lusten. Zelfs in Ghana, lange tijd door de Wereldbank gezien als de meest radicale hervormer op het continent, is het aantal 'echte' banen (bij een bevolkingsgroei van bijna drie procent!) de laatste jaren gelijk gebleven of zelfs gedaald. In veel landen leeft inmiddels de helft van de bevolking onder de armoedegrens. In maatschappijen waar de duimschroeven al zwaar zijn aangedraaid, kunnen verkiezingen ertoe leiden dat de vlam in de (etnische) pan slaat.

Nu hoeft een sterk beleefde etnische of religieuze identiteit niet per definitie tot spanningen te leiden. Zo was in Nederland ten tijde van de Verzuiling godsdienst een belangrijke factor in de politieke cultuur zonder dat dit resulteerde in grote maatschappelijke frictie. Maar de situatie in de meeste Afrikaanse landen is totaal onvergelijkbaar. In Nederland werden religieuze tegenstellingen verzacht door het besef 'ondanks alles' toch tot een natie te behoren. In Afrika is een dergelijk nationaal bewustzijn niet of nauwelijks aanwezig als bindende kracht. De staat is vaak een arbitrair produkt van koloniale verhoudingen. De gemiddelde Afrikaan voelt vaak meer sympathie voor leden van dezelfde etnische groep aan de andere zijde van de grens dan voor zijn anders-tribale buurman. Sociaal-economische scheidslijnen lopen vaak parallel aan de tribale.

De pers in veel Afrikaanse landen voelt zich nauwelijks genoodzaakt om eventuele etnische spanningen te sussen en stelt zich vaak zeer onverantwoordelijk op.

Tijdens de stembusstrijd in Ivoorkust nam de spanning plotseling sterk toe toen de oppositiepers, geheel zonder grond, schreef dat de regering commandotroepen uit buurland Togo had gehaald om eventuele onlusten de kop in te drukken. In maatschappijen waarin een groot deel van de bevolking analfabeet is, heeft het geschreven woord een groot gezag.

Dat hun pers bewust leugens zou verspreiden, kwam bij de meeste aanhangers van de Ivoriaanse oppositie nauwelijks op.

En zijn die meer-partijenverkiezingen nu eigenlijk wel zo eerlijk? Regimes die de uitslag willen manipuleren, kunnen dat nog steeds gemakkelijk doen. Internationale waarnemers observeren alleen op de dag zelf, bij de registratie van de kiezers (die meestal maanden eerder plaatsheeft) zijn ze niet betrokken. Maar het is juist dan dat de meeste ongeregeldheden de laatste jaren hebben plaatsgehad. Zo werden vorig jaar in Abidjan mensen die uit het noorden van het land afkomstig waren, van het kastje naar de muur gestuurd als ze zich wilden registreren totdat ze in wanhoop maar van deelname aan de verkiezingen beloofden af te zien.

Spanningen tussen de democratisch gekozen president en het eveneens democratisch gekozen parlement, met politieke verlamming als resultaat, leidde dit jaar al tot een coup in Niger. Onvrede over het democratisch proces in Zimbabwe bracht de oppositie ertoe om veranderingen in de kieswet te eisen. Vermeende fraude bracht de twee kandidaten van de oppositie er vorige week toe zich uit de verkiezingen terug te trekken. In Benin eisen de twee kandidaten in de presidentsverkiezingen inmiddels beiden de overwinning op. Het huis van een lid van de rechtbank die nu uitsluitsel moet geven, werd donderdagnacht met een mitrailleur beschoten. Tanzania lijdt nog steeds onder de wonden die de verkiezingen van vorig jaar sloegen. Deze verliepen zo chaotisch dat zelfs waarnemers van het Gemenebest er schande van spraken.

In sommige Afrikaanse landen wordt inmiddels geëxperimenteerd met politieke systemen die niet gefundeerd zijn op meer-partijenverkiezingen maar die toch het electoraat de kans geven om zijn mening over politieke problemen kenbaar te maken.

Oeganda is een voorbeeld. De zittende president, Yoweri Museveni, heeft politieke partijen op etnische of religieuze grondslag verboden in de hoop dat het politieke debat zo weer automatisch over 'echte' problemen komt te gaan.

De eerste resultaten in Oeganda, onder Idi Amin het slachthuis van Afrika, lijken bemoedigend.

Maar alle Oegandezen weten nog wel haarfijn tot welke etnische groepen politici behoren en al is die kennis volgens de nieuwe orde geen hoofdzaak meer, bijzaak is zij nog zeker niet.

Meer-partijenverkiezingenKan regel niet uitvullen kunnen in Afrika slechts het eindpunt zijn van een democratiseringsproces, niet het beginpunt.

Slechts als een groot aantal voorwaarden is vervuld, hebben zulke verkiezingen zin. In de eerste plaats zal de betrokkenheid van de burger bij het bestuur moeten worden vergroot. Voor de gemiddelde Afrikaan zijn, net als in de koloniale tijd, bestuurders vijanden die je vroeg of laat het leven zuur zullen maken. De notie dat het staatsapparaat een aantal noodzakelijke taken moet vervullen die het leven van de burger veraangenamen, is in Afrika onbekend. Bestuurders zijn uitzuigers en het belang van verkiezingen is juist dat dan wordt bepaald wie zuigt en wie uitgezogen wordt. Pas als het electoraat een positiever beeld krijgt van de rol van de staat (en dus hogere eisen gaat stellen aan zijn bestuurders en zich dus voor hun ideeën interesseert!) hebben meerpartijenverkiezingen enige zin.

Dat is echter niet genoeg. Ook het nationale bewustzijn in Afrikaanse landen zal moeten toenemen. Als politieke geschillen worden uitgevochten tegen een achtergrond van nationale saamhorigheid, is er minder kans dat zij escaleren in excessen. In die zin kan nationalisme, dat in Europa al snel wordt geassocieerd met uitsluiting en irrationeel geweld, in Afrika juist de sociale vrede versterken. Het opbouwen van een nationaal bewustzijn neemt echter veel tijd in beslag, zeker in landen waarvan de grenzen het produkt zijn van koehandel tussen Europeanen.

Datzelfde geldt voor het opbouwen van eerlijke, verantwoordelijke media. In heel het continent bezuiden de Sahara zijn er maar twee landen waar in zekere mate sprake is van een traditie van persvrijheid: Zuid-Afrika en Nigeria (en daar staat die onafhankelijkheid sinds enige tijd onder zware druk). Elders is de pers niet in staat als waakhond van een democratisch proces te fungeren.

Bij afwezigheid daarvan hebben de meeste Afrikaanse landen misschien nog het meeste aan een verlichte autocraat, een melancholieke Marcus Aurelius voor wie regeren geen voorrecht is maar een zwaar juk, en die er alles aan doet om zijn volk voor te bereiden om dat juk over te nemen.

De stappen daartoe zullen lange tijd in beslag nemen. Via onderwijs, zowel voor kinderen als voor volwassenen, zal moeten worden gewerkt aan veranderingen in de Afrikaanse politieke cultuur. Het eerste verkiezingsexperiment zou op plaatselijk niveau kunnen plaatshebben.

In vrijwel geen van de landen waar dit jaar wordt gestemd, is aan al deze voorwaarden voldaan. Voor wie democratie gelijk stelt aan foto's van vrolijk dansende Afrikanen bij stembureaus, valt er dit jaar ongetwijfeld veel te genieten. Wie Afrika echt een warm hart toedraagt, zal moeten constateren dat de stembusstrijd waarschijnlijk weinig tot niets aan de zaak der democratisering van het continent bijdraagt: het democratisch feest is op sommige plekken immers al met een grote kater geëindigd.