Wetenschap en techniek zijn in belang van iedereen

Onderzoek, speurwerk en ontwikkelingswerk worden nog te veel als een luxe gezien, betoogt J.M.M. Ritzen. In ieder geval van de overheid, maar ook van grote ondernemingen mag worden verwacht dat zij met onderzoek investeren in de toekomst van ons allen.

Dit artikel is gebaseerd op de verklaring van Europese sociaal- democratische ministers en staatssecretarissen waaraan het artikel refereert.

Waarom heeft wetenschap en technologie zo weinig weerklank in de samenleving? Ik denk langzamerhand wel een beeld te hebben van de oorzaken en van hetgeen daar vanuit wetenschaps- en technologiebeleid aan gedaan moet worden. Ik zal in vijf stellingen onze aanpak formuleren. 'Onze', want op mijn initiatief hebben sociaal-democratische ministers en staatssecretarissen uit negen Europese landen zich verenigd achter deze banier. Maar eerst die oorzaken.

Onderzoek duurt lang, de effecten komen meestal via de band tot stand. Dat geeft soms het beeld van een ivoren toren, van arrogantie van wetenschappers.

Ook ervaren wij steeds sterker de spanning tussen de veelzijdige aard van maatschappelijke en milieuproblemen en de vaak disciplinaire ontwikkeling van de wetenschap.

Technologie roept angstgevoelens op en zorg over de werkgelegenheid.

Technologie wordt teveel gezien als iets dat groepen scheidt (bijvoorbeeld werkgevers versus werknemers, milieugroepen tegenover bedrijven en overheid) en te weinig als een factor die de cohesie in de samenleving kan vergroten.

Mijn vaste overtuiging luidt: alleen een wetenschaps- en technologiebeleid dat heldere keuzen maakt vanuit duidelijke politieke doelen, zal een wezenlijke verandering teweeg kunnen brengen.

Met de volgende vijf stellingen wil ik daaraan een bijdrage leveren.

Stelling 1. Onderzoek dat door de overheid wordt gefinancierd moet verankerd worden in de samenleving.

We moeten de maatschappelijke relevantie van onderzoek vergroten. Van wetenschappers mag je verwachten dat zij zich kunnen verantwoorden voor de richting waarin en de wijze waarop zij onderzoek uitvoeren. Politici moeten op basis van zorgvuldig uitgevoerde verkenningen keuzen maken die de ambities en mogelijkheden van Nederland weerspiegelen. Zij mogen voor deze keus niet terugschrikken. Dat klinkt misschien dreigend. Maar het is eigenlijk heel natuurlijk als we erin slagen bedrijven, maatschappelijke organisaties of overheidsdiensten zich 'eigenaar te laten voelen' van stukken onderzoek.

Eigenaar: soms in de directe, financiële zin van het woord. Maar altijd vanuit het geloof in de economische, culturele of maatschappelijke betekenis van onderzoek.

Natuurlijk vragen we wèl om eigenaars die oog hebben voor de eigen aard van onderzoek, die ook een beetje (of meer dan dat) houden van hun bezit.

Onderzoek is namelijk nodig om flexibiliteit en diversiteit te waarborgen, het kritisch denken te bevorderen en om te komen tot oplossingen waarmee we buiten het bekende pad van onze gedachtenreeks treden.

Onderzoekers moeten dezelfde ethische normen hanteren als de rest van de samenleving, of het nu gaat om methoden of resultaten. Het hanteren van deze normen verbetert de kwaliteit van het onderzoek. Het publiek zal hierdoor meer vertrouwen krijgen in onderzoek in het algemeen, maar ook in onderzoek op nieuwe gebieden als biotechnologie en genetische manipulatie in het bijzonder.

Stelling 2. Een strategie om werk te creëren vraagt ook om technologische vernieuwing. Maar willen we werknemers meekrijgen - tegen de vele fricties in die technologie oproept - dan zijn betrokkenheid, opleiding en het geleidelijk verminderen van de levenslange arbeidsduur van werknemers nodig.

De geschiedenis heeft aangetoond dat technologie zowel arbeidsplaatsen schept als werkgelegenheid verloren doet gaan. Sinds de industriële revolutie heeft de technologische vernieuwing geleid tot een ongekende banengroei. De gebeurde niet alleen door het herinvesteren van de opbrengsten van een hogere productie, maar ook door het ontwikkelen van nieuwe producten. Als een land niet voldoende investeert in kennis, onderzoek en ontwikkeling, zal het ook achterop raken op de weg naar welvaart. Dit proces leidt uiteindelijk tot armoede, sociale onrechtvaardigheid en het slechts moeizaam behouden en ontwikkelen van de culturele identiteit.

In een op concurrentie gebaseerde wereld leidt het uitblijven van technologische vernieuwing tot hogere werkloosheid. Toch gaat ook innovatie gepaard met problemen, zoals tijdelijke werkloosheid en sociale uitsluiting.

De oplossing ligt in een stelsel van omscholing, bijscholing en permanente educatie dat voor iedereen toegankelijk is. Werknemers moeten nauw betrokken worden bij dit technologische vernieuwingsproces.

Maar die vernieuwing alleen levert onvoldoende nieuwe banen op. Ook een verdere verkorting van arbeidsduur - gemeten over een mensenleven - is noodzakelijk. Demografische verschuivingen en het aanbod aan 'nieuwe arbeid' die technologishe vernieuwing zelf met zich meebrengt (zoals telewerken) draagt hier op zich onvoldoende toe bij. Het mes snijdt aan twee kanten, als we de verkorting van de arbeidsduur compenseren met meer tijd voor werknemers om zich te herscholen: er worden nieuwe banen gecreëerd èn er wordt ernst gemaakt met de invoering van permanente educatie.

Stelling 3. Inkomsten uit milieuheffingen moeten worden ingezet voor het bevorderen van onderzoek en de ontwikkeling van milieuvriendelijke technologieën.

Het menselijk ingrijpen in het milieu heeft zonder meer negatieve gevolgen voor onze leefomgeving. Onderzoek speelt een belangrijke rol bij het ontdekken en leveren van de kennis en middelen om deze nadelen terug te dringen.

Investeringen in milieu-onderzoek en de productie van daaruit voortvloeiende 'vriendelijker' producten en processen zullen ons in staat stellen een dubbel doel naderbij te brengen: bescherming van het milieu en een hoge levensstandaard voor iedereen.

Onderzoek heeft ook gefungeerd als motor achter technologische vernieuwing en industriële productie. Dit heeft mede bijgedragen aan de uitputting van schaarse hulpbronnen en aan een grotere milieuvervuiling. Willen we de huidige en toekomstige generaties in een schoon milieu laten leven, dan moeten we zorgvuldig afwegen welk onderzoek verricht moet worden. Er zal uiteraard ook een verandering nodig zijn in het menselijk gedrag.

Nu al gebruikt de overheid inkomsten uit milieubelastingen en -heffingen op natuurlijke hulpbronnen om een lagere belasting op arbeid te financieren. Zo'n aanpak zou ook moeten worden gebruikt om onderzoek en ontwikkeling te bevorderen op het gebied van milieuvriendelijke technologieën.

Stelling 4. Samenwerking op wetenschappelijk gebied leidt tot een grotere doelmatigheid èn kan bijdrgen tot vreedzamer internationale verhoudingen.

Wetenschappers en onderzoeksinstellingen moeten worden aangemoedigd samen te werken met collega's en instellingen uit andere vakgebieden, maar ook met de overige factoren in de samenleving. Een kruisbestuiving van informatie, van ideeën en methoden leidt vaak tot onverwachte en vruchtbare resultaten zo leert de ervaring.

Het onderwijssysteem moet leerlingen en studenten met een goede algemene ontwikkeling stimuleren een groot aantal vakgebieden en onderwerpen te bestuderen, waaruit zij inspiratie kunnen putten.

Het wetenschaps- en technologiebeleid draagt van nature een internationaal karakter. De uitkomsten van onderzoek zijn overal van toepassing. Als onderzoek leidt tot wezenlijk nieuwe inzichten, dan moeten deze wereldwijd voor iedereen beschikbaar zijn. Daarom ook moeten we samenwerking bij onderzoek bevorderen, om free rider-gedrag te vermijden. Maar ze is eveneens nodig om te voorkomen dat op verschillende plaatsen een zelfde wiel wordt uitgevonden. Internationale samenwerking leidt per definitie tot betere internationale verhoudingen. Een intensievere samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie kan zodoende een nieuwe dimensie toevoegen aan ons streven naar vrede èn welvaart.

Stelling 5. De samenleving moet meer investeren in onderzoek en ontwikkeling gericht op de lange termijn.

De samenleving kijkt vaak niet verder dan haar neus lang is. Onderwijs, scholing en onderzoek, die de maatschappij veel opleveren, krijgen vaak minder (financiële) steun dan korte-termijnactiviteiten. Als we ze later kritisch beschouwen, blijken die snelle - goedkopere - acties ons doorgaans minder op te leveren. De samenleving moet ervoor zorgen dat er investeringen worden gedaan die op de lange termijn zijn gericht, in het belang van onze kinderen en kleinkinderen. Van de overheid, maar ook van grote ondernemingen in de private sector, mag worden verwacht dat zij daar bij investeringen in onderzoek voldoende oog voor hebben.

Over deze en wellicht andere punten moet ook in Nederland de discussie op gang komen. Het nationaal kennisdebat dat 27 maart officieel van start gaat is darvoor bij uitstek geschikt.