Voyage autour de ma chambre

Al sinds de oudheid is bekend hoe mnemonisten, dat zijn geheugenkunstenaars, te werk gaan om zich kolossale getallen en ook allerlei andere feiten (denk aan de geheugenkunstenaar in de film The Thirty Nine Steps) te herinneren.

Hun methode is in gedachte door een bekende omgeving te lopen en de te onthouden dingen als 't ware op te bergen of weg te leggen op bekende plaatsen. De derdemachtswortels uit even priemgetallen langs de raamkozijnen op de eerste verdieping, het bewijs van de stelling van Fermat op de richel boven de deur, de namen van de vragenstellers bij de dakgoot en die van hun echtgenoten en kinderen langs de regenpijp.

Het merkwaardige is dat daar een op zichzelf alweer aanzienlijke kennis van de betrokken gebouwen of omgeving voor nodig is die, zou je zeggen, ook een krachtig beroep op het geheugen doet, maar dat is blijkbaar geen probleem; gebouwen waar je dagelijks langskwam, een omgeving waar je in hebt gewoond of nog woont, dat zit blijkbaar stevig verankerd in de herinnering, of in elk geval bij hen is dat zo. Het procédé is voor hen zelfs zo realistisch dat zij, wanneer zij het zelfde gebouw bij een andere gelegenheid opnieuw gebruiken, verplicht zijn eerst zorgvuldig alle namen en getallen en verdere details van de vorige sessie te verwijderen; ze laten wel eens per ongeluk iets zitten en dat komen ze dan later, soms jaren later, weer tegen. Daarvan zeggen ze dan (zie Mind of a Mnemonist van A.R. Luria) dat dat op een te donkere plaats zat, of verstopt achter een luik, of teveel de kleur (!) had van de achtergrond. Je zou, door diezelfde straat lopend, haast de gevels afzoeken om te zien of je niet zelf ook zo'n getal kon ontdekken dat per ongeluk was blijven zitten.

De beroemde Voyage autour de ma chambre van Xavier de Maistre is in zekere zin een omkering van dit procédé. Het is of hij langs alle voorwerpen in de kamer gaat en kijkt wat er boven of onder of achter zit. Het enige verschil is dan dat het niet herinneringen zijn die daar door anderen al of niet opzettelijk zijn weggeborgen, maar ongewild aan die voorwerpen verbonden tot leven komende associaties. 'O ja, dat beeldje van die Japanse houthakker, dat stond vroeger bij mijn ouders op de commode en soms vertelde mijn moeder dat het ook al op de commode stond bij háár moeder, en hoe die het een keer kapot heeft laten vallen toen ze het iemand wilde laten zien. Toen werd het naar een winkel gebracht op het Koningsplein, op de hoek naast het weeshuis, waar je de weesmeisjes met hun schortjes altijd zag in- en uitlopen en daar had je toen nog die man die ivoortjes kon repareren en die heeft het gelijmd.'

Ook de kamer waarin ik dit nu zit te schrijven zou zich goed tot een dergelijke behandeling lenen; aan materiaal geen gebrek, maar om verschillende redenen begin ik er niet aan. In de eerste plaats omdat het een werkkamer is, en het te beschrijven vertrek behoort eigenlijk een slaapkamer te zijn, of in elk geval een kamer met een bed er in. Wanneer de Fransen het hebben over 'la chambre' en niet la Chambre des Députés of la Chambre de Commerce bedoelen, maar een kamer in hun eigen appartement, dan slaat dat ook niet op een zitkamer of eetkamer maar op de slaapkamer. Vandaar dat voyages autour de la chambre (het denkbeeld heeft veel navolging gevonden) hun belang meestal ontlenen aan het feit dat er een bed in staat; het verhaal wordt pas interessant wanneer de beschrijver aan dit gebruiksvoorwerp toekomt. Zo zou ik de kamer met de bedstede moeten beschrijven. Het is waar dat ik boeiende verhalen zou kunnen opdissen over hoe we daar met zijn drieën in bed hebben gelegen - de twee poezen en ik; ja, over die poezen zou ik urenlang kunnen vertellen; maar dat doe ik nu dus niet.

Wat ik zelf interessanter vind is het beschrijven van andere en/of vroegere kamers - bijvoorbeeld de slaapkamers van derden waarin ik wel eens, of meer dan eens, de nacht heb doorgebracht. Of mijn eigen kamers uit een ver verleden; de bedoeling is dan na te gaan wat ik mij van die kamers nog voor de geest kan halen - hoe ze er uit zagen, hoe het er rook, wat er in stond, wat er in gebeurd is.

De oudste kamer - of hoe moet ik dat noemen: de vroegste, de eerste - die ik mij kan herinneren was mijn kinderkamer in ons eerste huis op Poelau Radja, dat is een plantage op Sumatra's Oostkust. Het was een houten huis op palen, zonder electriciteit of waterleiding, en soms denk ik dat mijn hele leven niet meer is dan een zoektocht om dat huis weer terug te vinden. Als ik daar maar weer terug zou zijn, hoefde er niets meer, nooit meer. In die kamer zijn, 's middags als het warm is en de luiken gesloten - ik ruik de geur van de matten vloeren en hoor onze honden scharrelen onder de vloer - daaronder is immers die ruimte, de kolong, waar ik zelf ook vaak speelde. Hoe zag die kamer er uit? Hoe kwam je er, waar was de deur? Hoeveel ramen waren er? Wat voor meubelen stonden er? Wat hing er aan de muren?

Ik was toen vijf jaar, maar al deze vragen kan ik nog beantwoorden. Ik kan in gedachte nog dat huis binnengaan en opnoemen wat ik zie. Eerst ga je een trap op, een stenen trap zich naar beneden verbredend met een krul aan elke kant, en dan sta je op de voorgalerij. Links vier mahoniehouten stoelen met gevlochten rotan zittingen om een dito ronde tafel met marmeren blad; er boven hangt een een grote petroleumlamp met opalen kap. Op de rechterhelft van de voorgalerij twee kerossi malas naast elkaar, dat zijn van die uitschuifbare rotan stoelen waar je languit op kunt liggen, met in de armleuning een compartimentje met een rond gat waar een glas in past (een glas thee, met een zilveren dekseltje). Als mijn ouders op die stoelen lagen, hurkte ik met mijn gezicht naar hen toe tussen hen in. In het midden zijn twee glazen deuren - dat wil zeggen niet deuren van glas, dat bestond niet, maar houten deuren waarvan de bovenste helft uit ruitjes bestond - en door die deuren kwam je in een soort brede gang die doorliep naar achteren, langs de spen, d.w.z. de bijkeuken, naar de overdekte gang die op de werkelijke keuken uitkwam. Mijn kamer was dan de tweede deur links (de eerste gaf toegang tot de klamboekamer, d.w.z. een kamer met gaas in de ramen tegen de muskieten, waar zich o.a. de grammofoon en de platen bevonden). Tot zover is het niet moeilijk, omdat alle oude Indische huizen op deze manier waren ingedeeld.

Als je mijn kamer binnenkwam keek je op een wastafel, dat wil zeggen een brede rechthoekige tafel met een marmeren blad met opstaande rand, waarop zich een grote emaillen kom bevond, gedecoreerd met motiefjes in die merkwaardige schelle celluloidkleuren die je nooit in Europa ziet en die bij mij een groot verlangen oproepen, en in die kom stond een kan water. Ik kan mij niet herinneren mij daar ooit te hebben gewassen: dat deed ik in de mandikamer, het enige stenen vertrek van het huis, met een eigen deur naar buiten waardoor de waterdrager naar binnen kon om de mandibak te vullen.

Tegenover de wastafel, dus links naast de deur, stond het bed, een groot smeedijzeren bed met veel krullen, waar een ongewoon dikke matras op lag, althans zo herinner ik het me, met alleen een laken, een kussen en een goeling (rolkussen). Vanuit de schemering van het hoge plafond hing de klamboe naar beneden, het bed omgevend als de witte nevel aan de voet van een waterval.

Het gevoel is bijna niet meer toegankelijk, terwijl het daar toch eigenlijk om is begonnen. Om dat te bereiken moet het benaderd worden via een omweg, zoeken naar het onverwachte, je iets herinneren dat je al vergeten was. Zo had ik voor een onderdeel van een seconde die peilloze sensatie van door een gat in de tijd te vallen toen ik me opeens herinnerde hoe alle petroleumlampen overdag op een tafel bij elkaar stonden, waar zij 's avonds allemaal tegelijk werden aangestoken en door het huis heen werden neergezet.

Wat nu al een poosje door mijn gedachten spookt is het beeld van mijn lieve baboe. Wanneer mijn ouders 's avonds uitgingen sliep zij op de grond vóór mijn bed. Ze sliep dan op een mat die ze meebracht en die ik terwijl ik bezig ben het op te schrijven duidelijk voor me zie, een wat versleten mat met groene opdruk, voorstellende een moskee, of Mekka met de Kaäba. Ze weigerde zelfs maar op het bed te komen zitten, dat was eenvoudig uitgesloten. Van beneden, vanaf die mat, vertelde ze me verhalen zo onvoorstelbaar angstaanjagend, dat een moderne kinderpsycholoog, als die ze had kunnen horen, er vermoedelijk over zou spreken in termen van ongeneeslijke schade aan de kinderziel. Ik herinner me dat ik soms zo bang was dat ik me urenlang niet durfde te verroeren - en dus ook niet in slaap viel. Ik zag (of vermoedde) dan haar slapende vorm op de grond in het licht van het petroleumlampje op de wastafel en rook de geur van haar haar - bloemengeur plus klapperolie.

Een van de dingen die zij mij vertelde was dat op een bepaalde plek in de kamer een geest stond, een gestorven man, zij wees mij waar; die stond daar altijd, niet kwaadaardig volgens haar, en soms verbeeldde ik me dat ik hem kon zien, een vage schaduw als een rookkolom. Op den duur was ik er niet zo bang meer voor. Veel angstaanjagender was het wanneer haar overleden grootmoeder door haar mond sprak, met een mannenstem, het klonk als oprispingen, alsof het door een spreekbuis kwam; dat heb ik twee keer meegemaakt. Toch had ik voor haarzelf geen enkele angst en als ik naar het internaat moest, miste ik haar altijd verschrikkelijk.

En nog. Je hele leven, heeft iemand gezegd, Cioran geloof ik, breng je door met het uitvoeren van nutteloze verificaties.

Jij en ik zijn maar marionetten, Wij behagen de poppenvertoner terwijl hij zijn tekst neuriet - Smachtend en blikken uitwisselend op het doek Zolang de muziek klinkt, de duur van een lied.

Dan vervangt hij de glanzende poppen weer door andere, Jij en ik gaan terug in de doos, Ik een marionet, jij een marionet, Speelgoed van de vertoner, begeleiding van zijn lied.