Topman Duisenberg van Nederlandsche Bank: 'Maak stabiliteitspact voor achterblijvers Emu'

AMSTERDAM, 22 MAART. De lidstaten van de Europese Unie die niet aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) deelnemen, moeten bij een zogeheten stabiliteitspact worden betrokken. Daarmee wordt voorkomen dat deze landen achterop raken bij de lidstaten die wel aan de EMU meedoen. Bovendien kan een stabiliteitspact de aansluiting van de achterblijvende landen bij de kopgroep versnellen.

Dat zei president W. Duisenberg van De Nederlandsche Bank vanmiddag tijdens een discussiebijeenkomst van de Eurodelegatie van de Partij van de Arbeid.

Met zijn voorstel haakt Duisenberg aan op een idee van de Duitse minister Waigel van Financiën. Waigel lanceerde vorig jaar het plan voor een stabiliteitspact, waarin de lidstaten op middellange termijn een begrotingstekort van gemiddeld één procent van het bruto binnenlands produkt nastreven. Voor deelname aan de EMU mogen de lidstaten een tekort van niet meer dan 3 procent hebben, zo staat in het Verdrag van Maastricht.

Duisenberg wilde niet speculeren over de vraag welke landen zich op 1 januari 1999 kwalificeren voor de EMU. Maar de Europese binnenmarkt mag niet lijden onder de vorming van een EMU-kopgroep, vindt Duisenberg. De lidstaten die buiten de boot vallen, mogen niet in verleiding worden gebracht om via devaluaties van hun valuta's hun concurrentiepositie te verbeteren.

Het stabiliteitspact is in de ogen van Duisenberg “een mooie afronding” van het terugdringen van de overheidstekorten. De doelstellingen van het pact moeten de regeringen ervan weerhouden in magere jaren extra uitgaven te doen om de economie meer leven in te blazen.

Binnen het pact moeten alle lidstaten een stabiliteitsprogramma schrijven, dat door de ministerraad van de EU wordt besproken en beoordeeld. De landen die niet meteen aan de EMU kunnen deelnemen, de zogenoemde derogatielanden, dienen daarbij aan te geven hoe en wanneer zij wel aan de toetredingsvoorwaarden denken te voldoen, zo stelt Duisenberg voor. Wanneer een lidstaat de afspraken uit het pact niet nakomt, moet de ministerraad concrete aanbevelingen kunnen geven, zo onderstreept hij. Ook moet de ministerraad de mogelijkheid krijgen de programma's af te keuren.

Ten aanzien van de wisselkoersen ziet Duisenberg veel heil in een goede relatie tussen de kopgroepen en de derogatielanden. Hierbij kunnen de derogatielanden gebruik maken van de ervaring die tijdens het Europees Monetair Stelsel is opgedaan. Alleen 'normale' wisselkoersverschillen zijn toegestaan.

Duisenberg denkt, zonder het gemeenschappelijk belang overboord te zetten, aan een relatie tussen de derogatielanden en de kopgroep die per land “enigszins op maat moet zijn gesneden”. De posities van de landen die niet meteen aan de EMU meedoen, lopen zeer sterk uiteen.