Prionziekte wordt pas aangetoond na dood mens of dier

ROTTERDAM, 22 MAART.Biefstuk, melk, lever, runderlapjes, lymfeklieren, bloed, keelamandelen, ruggemerg en hersenen, alle onderdelen van koeien met de 'gekke-koeienziekte' (BSE of prionziekte) zijn, vermalen tot papjes, de laatste jaren ingespoten in de hersenen van muizen. Die dieren kregen in de loop van hun leven alleen de muizenvorm van de hersenversponsing als ze ingespoten waren met ruggemerg en hersenen.

Is daarmee niet vastgesteld dat een mens nooit de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) zal krijgen als hij vlees van Britse koeien eet?

“Nee, dat bewijs is niet geleverd”, aldus de veterinair patholoog drs. L. van Keulen van het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) in Lelystad. Van Keulen doet onderzoek naar pathologie en diagnostiek van BSE en scrapie, de overeenkomstige prionziekte bij schapen. “Het probleem is dat je met dit bio assay wel kunt aantonen dat een besmetting heeft plaatsgevonden, maar als je geen prionziekte bij de muizen ziet, betekent het niet dat de infectiviteit geheel afwezig is. Het kan zijn dat de infectie onder de detectie-grens is gebleven. Die twijfel over de detectie van de infectie is een van de redenen voor de huidige opwinding”. Het betekent namelijk dat een besmetting in levende koeien en in rundvlees niet aantoonbaar is. Prionziekte wordt bij mens en rund pas aangetoond na de dood.

In Groot-Brittannië heeft epidemiologisch onderzoek uitgewezen dat tien mensen jonger dan 42 de afgelopen twee jaar de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) hebben gekregen. Het totaal aantal gevallen is echter nog niet boven de 0,5 tot 1 per miljoen inwoners is gestegen. Dat is de normale frequentie in de Europese landen. De enige mogelijke verklaring voor deze voorlopig kleine epidemiologische 'verheffing' is de consumptie van rundvlees van met BSE besmette dieren.

In Groot-Brittannië is de eerste koe met BSE in 1986 gevonden. Van Keulen: “Toen er meer gevallen kwamen werd aangenomen dat de besmetting via de voedselketen plaatsvond. Gezien de latentietijd van twee tot vier jaar voor koeien zou er in '81 of '82 iets zijn veranderd. En dat bleek het geval. De Britse destructiebedrijven die van kadavers - ook van schapen met scrapie - dierenmeel maken hadden hun procédé veranderd. Er werd een vochtige hittebehandeling achterwege gelaten en daardoor wist een infectief agens kennelijk te overleven”.

Ook de twee Nederlandse destructiebedrijven brengen verwerkte kadavers weer in de veevoederketen. In Nederland is het aloude procédé nooit veranderd. Van Keulen: “In juli 1988 is in Groot-Brittannië het voeren van diermeel van herkauwers aan herkauwers verboden. Dat meel van herkauwers mag echter nog wel aan kippen en varkens worden gevoerd. In Nederland geldt zo'n verbod vanaf september '89, waarmee we het eerste land op het continent met zo'n verbod waren”.

Dat was terecht, ondanks het betere diermeelbereidingsprocédé, want scrapie is een endemische ziekte bij Nederlandse schapen. Van Keulen: “Scrapie komt voor op 4 tot 8 procent van schapenhouderijen en 1 ooi per 1.000 krijgt jaarlijks deze prionziekte”. Schapenvlees is echter veilig. Uit epidemiologisch onderzoek in landen waar van de schapen niet alleen het vlees, maar ook de hersenen en de ogen wordt gegeten en waar ook scrapie voorkomt, is nog nooit een vermoeden van besmetting met CJD door scrapie-schapen gerezen. Ondanks de scrapie is er in Nederland nog nooit een koe met BSE gevonden.

Grote vraag is nu hoe het komt dat na juli '88 in Groot Brittannië het aantal koeien met BSE nog zo sterk is gestegen. De Britse overheid zegt dat de ziekte onder controle is, maar de piek van de epidemie viel pas in 1993.

Dat is gedeeltelijk te verklaren door de latentieperiode, gedeeltelijk doordat de voorraad diermeel die nog 'in de pijplijn' zat niet is vernietigd.

Van Keulen: “Maar toch is onlangs BSE vastgesteld bij een dier dat in 1993 is geboren. Het is onwaarschijnlijk dat er nog zo lang diermeel in voorraad is geweest. Wellicht zijn er partijen meel voor varkens en kippen voor koeien gebruikt en, wat ook wordt gevreesd: misschien vindt er besmetting van koe op kalf plaats”.