Mussen, eksters en duiven

Dana Constandse: Zout op de staart. Uitg. Wereldbibliotheek, 143 blz. Prijs ƒ 29,50.

Deze winter zijn de meest bijzondere vogels in Nederland te zien geweest. De zaagbekken zwommen zomaar in de stadsgrachten. Er waren onder meer geelsnavelduikers, pestvogels, notenkrakers, en dwerggorzen. Het meest bijzonder was wellicht de Grote Trap die in de omgeving van Rolde rondstapte. Dana Constandse is echter niet het type vogelaar dat voor zulke buitenissigheden op stap gaat. Zij zoekt het dichter bij huis. Zij vertelt over de mussen, de eksters en de stadsduiven in haar Amsterdamse achtertuintje en over de fitissen, roodborstjes en groenlingen in haar volkstuintje. In haar vierentwintig vogelverhalen schrijft ze pretentieloos en onopgesmukt over haast triviale belevenissen met diverse algemeen voorkomende vogels.

Het zijn stuk voor stuk aandoenlijke, aardige verhalen, deels omdat de schrijfster zo bescheiden blijkt, en zich er op geen enkele manier op wil laten voorstaan dat ze een vogelkenner is, deels omdat zij gemakkelijk ontroerd raakt en dat eerlijk opbiecht. Eén van de aardigste verhalen is die over een groenling van wie min of meer per ongeluk de boom waarin hij nestelt wordt omgezaagd. Dana en haar vriend vinden onder de boom een nest met jonge groenlingen. Ze zetten bonestaken in een kringetje en plaatsen daar het nest bovenop. Na enige tijd blijkt het ouderpaar de jongen weer te voeren.

Ook bijzonder aardig is Dana's verhaal over het herkennen van vogelzang. Dat is en blijft voor iedereen moeilijk, maar zelden komen de vogelaars daar eerlijk voor uit. Constandse vertelt evenwel heel oprecht hoeveel moeite het haar kost om al die liedjes te leren kennen.

Een enkele keer is Dana Constandse op stap, naar een natuurgebied bij Antwerpen, en eenmaal zelfs naar een natuurreservaat in India (Bharatpur). Ook die stukjes zijn boeiend, maar ze vallen enigszins uit de toon. Aardiger toch zijn al die simpele waarnemingen in eigen tuin en volkstuin. Hier en daar zou Constandse wat strakker en beeldender kunnen schrijven, en de toch niet geringe mogelijkheden om af en toe met wat vogelbeeldspraak of ornithologische humor haar verhalen te kruiden laat Dana Constandse helaas onbenut. Maar de lichte toon, de pretentieloosheid, de aandacht voor de ogenschijnlijke alledaagsheid van spreeuwen, merels, en mussen geven deze verhalen de ijle klank van het fitisliedje en de warme kleur van het roodborstborstje.