Monsters met vissenogen

öOdn von Horváth: Jeugd zonder God. Vert. Bram van Sonderen. Uitg. Kok, 156 blz. Prijs: ƒ 29,90

Zeitalter der Fische, zo heette in de jaren vijftig een herdruk van öOdn von Horváths roman Jugend ohne Gott, en die vissige titel is niet slecht gekozen. Want in een van de sleutelscènes zegt een wijze oude man: 'Er komen koude tijden, het tijdperk van de vissen.'

Jugend ohne Gott verscheen in 1938 bij uitgeverij Allert de Lange in Amsterdam; in Duitsland of Oostenrijk zou men het boek van de Hongaars-Weense auteur onmiddellijk verboden hebben. De roman begint immers met een aanklacht tegen de nazi-dictatuur, die van de onderdanen kille monsters maakt. Monsters met lichte, ronde visseogen.

De ik-verteller, een humanistisch georiënteerde leraar aan een gymnasium, kan niet best overweg met zijn leerlingen, die op geweld kicken en ook in andere opzichten al helemaal door de fascistische ideologie bedorven lijken. Medelijden of desnoods medeleven met deze veertienjarige jongens, die in de schoolbanken mentaal worden klaargestoomd voor een blitzcarrière aan het oorlogsfront, heeft de verteller aanvankelijk niet. Geëmotioneerd roept hij uit: 'Een verschrikkelijke bende is het... al het denkwerk haten ze! Ze hebben schijt aan de mensen! Hun ideaal is de hoon!'

Pas wanneer hij samen met zijn schoolklas de paasvakantie in een paramilitair kamp doorbrengt, ontdekt hij de overeenkomsten tussen zijn leerlingen en hemzelf. Ook hij raakt, in zijn eigen woorden, verstrikt in 'een net van schuld en lafheid', ook hij is medeplichtig aan de moord op een van de jongens.

De schrijver liet zich kennelijk zozeer door deze spannende moordgeschiedenis meeslepen, dat hij er zijn maatschappijkritiek door uit het oog verloor. Die moord, waar meer dan de helft van de roman aan gewijd is, heeft nog maar weinig te maken met de politieke wandaden zoals ze in het Derde Rijk gepleegd werden. Von Horváth wijkt uit naar tijdlozer sferen: gaandeweg koppelt hij de schuldvraag los van de jaren dertig en begint te peinzen over zoiets algemeens als de erfzonde. Uit de 'eeuwige zee van schuld', stelt de verteller vast, 'kan enkel en alleen de goddelijke genade en het geloof in de openbaring ons redden.'

En zie: in een flits verschijnt God aan de zondige leraar, hetgeen hem de kracht geeft om voor de rechter alles op te biechten. En aangemoedigd door de bekeerde docent volgen andere zondaars zijn voorbeeld. Er is nog hoop, leek de in ballingschap levende schrijver van Jugend ohne Gott te willen zeggen. Als we maar contact met onze God houden, want God is de waarheid en de waarheid is God.

Geen wonder dat deze roman, ondanks het onverbloemde woordgebruik dat weleens naar seksuele handelingen verwijst, in de nieuwe Nederlandse vertaling bij een christelijke uitgeverij verschenen is. Wat niets afdoet aan de literaire kwaliteiten van het boek. De weinig doeltreffende vissen-metafoor is een zwak punt van Jeugd zonder God, maar de compacte manier van formuleren dwingt respect af. In vierenveertig ultrakorte hoofdstukjes roept Von Horváth een beklemmende wereld op, waarbij zijn ervaring als dramaschrijver hem goed van pas komt. Want de kern van elk hoofdstuk bestaat uit een opwindende dialoog. Dat maakt het boek ook leesbaar voor verstokte goddelozen.