Mijn stof mag paren met Uw Stof; Speelse psalmen van Leo Vroman

Leo Vroman: Psalmen en andere gedichten. Uitg. Querido, 160 blz. Prijs ƒ 39,90

In januari 1995 vroeg de redactie van het literaire tijdschrift Parmentier een aantal Nederlandse en Vlaamse dichters om een psalmbewerking. Dit resulteerde in een bundel moderne al dan niet religieuze varianten op de bijbelse poëzie. Opmerkelijk in deze Nieuwe Psalmen is de bijdrage van Leo Vroman. Waar de meeste andere dichters het goddelijke als onderwerp vermijden, roept Vroman de Schepper rechtstreeks aan als 'Systeem'. Dat werkt vervreemdend, maar is allerminst blasfemisch. In feite is die ene psalm van Vroman veruit het meest religieuze vers in de uitgave van Parmentier.

In de eind vorig jaar verschenen nieuwe bundel van Leo Vroman blijkt die psalm de tweede uit een reeks van veertien. Samen vormen ze de indrukwekkende opening van 160 bladzijden nieuwe poëzie. De kwaliteit van Psalmen en andere gedichten is wisselend, maar dat geldt vooral voor de andere gedichten; in de psalmen is Vroman op zijn best. Speels, schijnbaar argeloos uit de tachtigjarige dichter in gedreven rijmen zijn fascinatie voor het naderende moment waarop 'mijn stof mag paren met Uw Stof' - dat is de fascinatie voor het amalgama van leven en dood.

Het in de dierenverhalen van Koolhaas verwoorde adagium 'Groeien is leven voor wie niet ziet dat het dood is' wordt door Vroman in Psalmen en andere gedichten op eigen wijze virtuoos omspeeld. Niet alleen in de psalmen, maar bijvoorbeeld ook in het sublieme zevende vers uit de reeks Allerlei doden: Een kind met moeite koudgesust laat zich onder zware spaden vriendelijk met aarde baden. Dan pas komt haar dag tot rust, doorgrondt zij zich en mag door maden nog maanden goedenacht gekust. Dodelijke verschrikking en liefdevolle troost zijn hier paradoxaal verenigd. En de grondslag van die paradox is, zoals in alle goede poëzie, verbazing. Ook in het schrikwekkendste ogenblik tellen de vragen voor Vroman meer dan de angst - zoals in de laatste strofe van 'Bloedingstijd': 'zo vlug als ik die cellen maak / zo traag weet ik ervan. / Straks als ik, een stokoude man, / meer dan mijn leven achterraak / wat begin ik dan?'

Niet elke lezer is verrukt van Vromans schijnbaar simpele rijmen. Tijdens een literaire discussiemiddag in de Amsterdamse Balie beschouwden Marja Brouwers en Jacq Vogelaar onlangs zijn nieuwste poëzie als niet meer dan Sinterklaasversjes. Die mening is nauwelijks serieus te nemen, maar ze illustreert wel het ongemak dat Vromans 'omnivore' werk soms oproept. Zowel het futiele als de diepste ernst worden lichtvoetig door hem op rijm gezet. In de vaderlandse letterkunde is dat al snel een doodzonde: een dichter 'keuvelt' niet - zeker niet over lijden en leed.

Ook de virtuositeit die Vroman tentoonspreidt maakt het lastig om zijn poëzie te verschalken. Die virtuositeit is bovendien nog steeds experimenteel. De betekenis van een vers kan bij Vroman onverhoeds per regel op raadselachtige stelten worden gezet. Of de dichter spreekt plotsklaps een eigen bezwerende taal, die een heksentoer van de lezer vergt - zoals in 'Alles overdoen': 'Doorslag, Kwikslag, Haverslag / hangen in verharingsgaren / erfeloos met wetenswaren / van de nageur overstag.'

Wie al te verbeten op zoek gaat naar de spelregels van zulk rijm, speelt niet meer mee, dus is af. Maar het is Vroman juist om het spel te doen. Niet voor niets laat hij in 'Ode' twee volle pagina's leeg, met de uitnodiging aan zijn lezers om op te schrijven welke vaderlandse plek zij na jaren emigratie zouden willen bezoeken, en hoe ze daar later naar terug zouden verlangen.

Die 'Ode', het verslag van een bezoek aan het oude vaderland, is tweetalig. De tweetaligheid van de migrant is dan ook een belangrijk onderwerp in dit lange gedicht. De taalgrens ligt steevast in het luchtruim boven de oceaan of, zoals Vroman zelf schrijft: 'Er leeft maar één dunne manier / om onze tweetaal te verwerken / te beproeven en versterken / en dat is buiten dit papier / tussen twee stijve vlerken / achter ontilbare motoren / opgetild en naar voren / geblazen, het z.g. zwerk in'.

Ik betwijfel of Vromans tweetaligheid voldoende reden was om bijna veertig pagina's van Psalmen en andere gedichten met Engelstalig werk te vullen. Maar voor het overige biedt deze bundel heel wat verzen die lang overeind zullen blijven. 'Je bonte draken', het ontroerende afscheidsvers voor Lucebert, hoort daar zeker bij - niet in de laatste plaats om de strofe waarin Vroman de afstand tussen zichzelf en zijn doden verwoordt:

hoe dichtbij zij zijn, en ik hoe ver. Ik sta nog in hun uitgedunde bos, de wind wiegelt mijn wortels langzaam los, ik wuif dag Tom, dag Bert, en nu dag Lucebert.

UIT: LEO VROMAN, PSALMEN EN ANDERE GEDICHTEN

Psalm III

Systeem! Dat ik in ieder dier onze verliefdheid voel en ik tot iedere muis of mier fluister ('Liefste, kom eens hier') is niet wat ik bedoel, maar dat ik nu ook ieder blad van iedere wilde plant wil zoenen en wil aaien, dat doet mij aan U vragen: wat is er hier aan de Hand? En nu ik ook om iedere steen zo graag mijn armen sper, zo maar om een rotsblok heen en even in haar barstje - neen, dat gaat Ons toch te ver? Systeem, ik ben maar één getal en tel U nog niet goed, maar dat ik U met mijn verval zodra dat komt, verminderen zal, vertel mij hoe dat moet, O dat ik U met mijn verval klein maar voorgoed verminderen zal, waarom, waarom dat moet?