Liefde voor de stilte, voor 't zwijgen; Vonne van der Meer over God en de ander

Als je iets maakt dat werkelijk de moeite waard is, laat je het los, zegt Vonne van der Meer. Dat geldt voor haar verhalen en romans en het is een thema in haar nieuwe toneelstuk Weiger nooit een dans. “Het moment dat je je tekst gespeeld ziet voor publiek - het is zoiets als de eerste keer dat je kind naar je lacht: een bijna fysieke sensatie.”

Weiger nooit een dans (Uitg. De Bezige Bij) is in het RO Theater te zien tot 30 maart. In het najaar volgt een tournee.

“Merkte je hoe ze er opeens inschoot? Dat blijft iets geheimzinnigs met toneelspelen, het moment dat het personage een mens van vlees en bloed wordt. Ik zag het bij Lieneke van de ene op de andere seconde gebeuren. Haar gezicht werd rustiger en haar spel natuurlijker. De voorstelling kreeg meteen meer adem. Ik kan me haar zenuwen voorstellen, onderschat het niet: de schrijver zit erbij. Dat komt weinig voor.”

Het is een week voor de premiere van Weiger nooit een dans, een nieuw, filosofisch-religieus getint toneelstuk van Vonne van der Meer en de eerste keer dat de schrijfster in een repetitieruimte van het Rotterdamse RO Theater een doorloop bijwoont. Gespannen volgt ze de verrichtingen van de spelers. Het script ligt opengeslagen op tafel; nu en dan maakt ze een aantekening. Naast haar zit regisseur Peter de Baan. Hij kijkt en zwijgt, evenals de andere aanwezigen: licht- en geluidstechnici en Betje Koolhaas, de actrice die alleen de laatste paar minuten op hoeft. Tot die slotscene is Weiger nooit een dans een voorstelling voor twee spelers - Lieneke Le Roux en Kees Coolen.

Het grootste deel van de tijd is Le Roux aan het woord: een zangeres op tournee die haar trein heeft gemist en de nacht doorbrengt in de lobby van een hotel in de provincie. Ze raakt aan de praat met de nachtportier, een merkwaardige, zwijgzame figuur in een donker pak en met 'opvallend lange nagels'. Hij blijft tot het einde toe een mysterie - is hij de dood, een aartsengel of wellicht een manifestatie van God? - maar door het weinige dat hij zegt vormt de toeschouwer zich des te duidelijker een beeld van háár. Het is alsof hij haar naar alle hoeken van haar denken stuurt, al blijven haar gedachten vooral cirkelen rond twee vraagstukken: God en de dood.

Na afloop van de repetitie complimenteert Vonne van der Meer acteurs en regisseur. Wel heeft ze een lijstje met opmerkingen: waarom wordt die scene zo gespeeld, waarom krijgen sommige aspecten zoveel nadruk? Peter de Baan stelt haar gerust. Het is nu nog zoeken naar evenwicht. Belangrijk is dat ze de kern te pakken hebben en over een week, zo verzekert hij, zijn alle onvolkomendheden verdwenen.

“Het gaat nu nog maar om een paar details”, geeft ze later toe in het kantoor van Peter de Baan. “De echt moeilijke momenten, de eenzaamheid en het verdriet, heb ik allemaal gezien. Nee, ik had niet de neiging zelf te regisseren. Mijn interpretatie is natuurlijk ook niet de interpretatie, zoals Lieneke zei toen we het stuk voor het eerst met elkaar doornamen. Ik heb alleen tegen Peter gezegd dat de aankleding realistisch moet zijn, zo'n stuk als dit heeft dat concrete nodig. De spullen moeten echt zijn. Als er staat dat ze thee uit een thermoskan drinken, moet je dat ook zien, de scheepstoeter moet je horen.”

Fysieke sensatie

Nu de repetities in een laatste fase zijn, kan ze haar ongeduld nauwelijks meer bedwingen. “Het moment dat je je tekst gespeeld ziet voor publiek dat grinnikt om zinnen waarvan je vermoedde dat er om geglimlacht zou worden - het is zoiets als de eerste keer dat je kind naar je lacht: een bijna fysieke sensatie, met niets te vergelijken. Het heeft ermee te maken dat je zelf tussen het publiek zit, dat is toch een heel andere ervaring dan wanneer je voor een zaal met mensen staat en uit eigen werk leest. Dan blijft er altijd een afstand tussen jou en de zaal.”

Wordt er eenmaal een stuk van je uitgevoerd, zo is haar ervaring, dan is niets aanlokkelijker dan meer toneel te maken. Een nieuwe theatertekst, Besloten kring, is dan ook al klaar en zal op een nog vast te stellen datum eveneens bij het RO in premiere gaan.

Het stuk dat zich afspeelt op een feest met twaalf mensen, is groots opgezet en het schrijven vergde dan ook aanzienlijk meer voorbereiding dan Weiger nooit een dans. Het opzetten van een ingewikkelder stuk als Besloten kring vergelijkt ze met een verhuizing: wat moet in welke doos en waar moet die heen. Ter illustratie spreidt ze over de met paperassen bezaaide tafel van Peter de Baan een lang printvel uit, vol met aantekeningen die hier en daar met rood, blauw en geel potlood zijn gemarkeerd.

“Van te voren heb ik een soort bouwtekening gemaakt om overzicht te bewaren want er dienen zich onmiddellijk allerlei logistieke problemen aan. Tijdens een scenario-workshop heb ik de truc van die kleuren geleerd. Als ik deze scene met blauw heb onderstreept moet het verhaal worden doorverteld terwijl er in emotionele zin niets gebeurt. Rood staat voor karakterologische dingen, op die manier zie ik in één oogopslag wat er in elke scene gebeurt en waar ik er nog niet uit ben.”

Het is voor het eerst in geruime tijd dat Vonne van der Meer weer toneel heeft geschreven. De afgelopen jaren publiceerde ze voornamelijk verhalenbundels en romans; haar recentste boek Spookliefde heeft als ondertitel 'Een Iers verhaal' en is gesitueerd aan de westkust van Ierland ter hoogte van de streek Connemara op een niet nader genoemd eiland waar een 'zware, muffe turfgeur' hangt en 'een diepe stilte als in een lege kerk' heerst.

Toch leek toneel aanvankelijk haar carriere te gaan bepalen. Vonne van der Meer (1952) volgde een regie-opleiding in Amsterdam. Ze begon te regisseren en in 1976 debuteerde ze als toneelschrijfster met De behandeling, dat door toneelgroep Centrum op het repertoire werd genomen. Bovendien schreef en schrijft ze af en toe voor televisie, hoewel ze dat, als het script eenmaal af is, 'onbevredigend' vindt. “Er is geen zaal met mensen, er zijn ook geen lezers die je een kaartje sturen. Het enige dat je na een uitzending te horen krijgt, zijn de kijk- en waarderingscijfers. Je kunt een verhaal net zo goed in een koker naar de maan sturen.”

Loslaten

Op een bepaald ogenblik kwam door al haar toneelwerk het schrijven in de knel. “Ik vond het steeds moeilijker om voor een regie twee maanden mijn gezin en dat wat ik aan het schrijven was in de steek te laten. Ik word gelukkig nog wel gevraagd, maar als ik niet begrijp waarom juist ik die regie zou moeten doen, doe ik het niet. Het stuk moet gaan over iets dat me bezighoudt of me juist op een nieuw spoor zetten.

“Ik weet wel heel duidelijk wanneer iets een toneelstuk of een verhaal moet worden. Toen ik over Weiger nooit een dans nadacht en die vrouw en de man met de lange nagels voor me zag in een hotellobby met uitzicht op een kanaal met boten, wist ik dat het toneel moest worden. De aanwezigheid van die zwijgende man zou in een novelle niet dezelfde werking hebben. Als je die nacht beleeft in een voorstelling, is de sensatie waarschijnlijk vreemder dan wanneer je erover leest.”

Aanvankelijk had ze “geen idee” waar het stuk heen zou gaan. De personages sturen je een kant op, maar wat ze zullen doen of zeggen, is nooit exact te voorspellen. Ook de zangeres in het stuk, die levens en mensen verzint over wie ze vervolgens zingt, heeft die ervaring, zoals ze de nachtportier toevertrouwt: 'Ineens begreep ik: als je iets maakt dat werkelijk de moeite waard is, laat je het los'.

Vonne van der Meer wijst op het titelverhaal van haar uit 1993 daterende bundel Nachtgoed, waarin een verkoopster van een lingerie-afdeling in een warenhuis vertelt hoe ze een bejaarde dame helpt met het uitzoeken van gewaagde nachtkleding. Zo nu en dan reageert ze kregelig op de klant en moet ze zich beheersen om zich niet al te zeer met haar te bemoeien. Later als de vrouw naar de kassa loopt, beseft ze dat ze haar moet laten gaan. De verkoopster, aldus Van der Meer, vertolkt de gedachten die zij zelf als schrijver heeft: het is belangrijk dat je de personages los kunt laten, anders worden het marionetten.

“Het doet me denken aan wat de joodse filosoof Emmanuel Levinas zegt over de ander. Het komt erop neer dat de Ander, zoals hij met een hoofdletter schrijft, zich nooit helemaal door mij laat begrijpen. De uiterste poging daartoe is een poging tot usurperen, dan maak ik de ander gelijk aan mijzelf. Terwijl juist de kern van de spanning tussen mij en de ander is dat de ander een beroep op me doet. Wat de ander wil is altijd een inbreuk op je leven, hij vraagt iets wat ik misschien niet wil en wat me vaak niet uitkomt. Voor Levinas zou het altijd moeten zijn: na u. Zeker als het om een weerloze ander gaat.”

God

Anders dan in haar debuut Het limonadegevoel en andere verhalen uit 1985 waarin, evenals in Nachtgoed en de roman Een warme rug (1987), de nadruk ligt op verleiding en erotische fantasieën van de figuren, wordt in haar recente werk vaak over God nagedacht. Zoals de zeventienjarige Phil in Spookliefde, die Michael - een achterlijke jongen met wie ze een platonische liefdesrelatie heeft- deelgenoot probeert te maken van haar overpeinzingen: 'Terwijl hij de schilfers van de kokkel pelde, vertelde zij hem dat ze zich voorstelde dat ergens, boven hen, zo ver dat je het niet kon zien, iemand zich nu over hen heen boog. Een hand kon hen ieder moment van de rotsen plukken, een vinger in hun vlees prikken om te zien of ze nog leefden. De één werd teruggegooid in zee, de ander op de rotsen neergelegd, het was toeval wie er in leven bleef, willekeur. Of dacht hij van niet?'

God kan ook de gedaante aannemen van Sinterklaas, zoals in 'Het zingen, het water, de peen', het laatste verhaal in Nachtgoed. Hierin vertelt een moeder over haar negentienjarige zoon die ondanks alle volwassen argumenten van zijn ouders, broers en de rest van de wereld hardnekkig is blijven geloven in Sinterklaas. Trouw zet hij ieder week zijn schoen, met een peen erin en een bakje water ernaast voor het paard en zingt hij 'Sinterklaasje, bonne, bonne, bonne'.

“Ik vond het aardig om na te gaan wat je allemaal kunt vastknopen aan het Sinterklaasgeloof. De behoefte aan ritueel van die jongen, het zingen. Hij maakt zich een sterke voorstelling van iemand die hem hoort en dat is voor hem misschien al genoeg. De discussie met zijn moeder gaf me de gelegenheid daar een aantal dingen in uit te zoeken, zonder dat het direct een zware theologische verhandeling werd.

“In Spookliefde is ook sprake van rituelen, zoals de kaarsen die het meisje in de kerk aansteekt. Maar haar geloof en haar gesprek met Michael over God is nog pril en ongevormd. Als je in Spookliefde een religieus boek wilt zien, dan zit dat vooral in de liefde voor de stilte, voor 't zwijgen. In de mystiek is dat heel belangrijk. Er zijn niet voor niets kloosterordes waarin gezwegen wordt. De ode aan de stilte uit zich in de liefde voor Michael en het eiland. Het verhaal laat zien wat stilte met iemand doet.

“Weiger nooit een dans vind ik veel religieuzer. Dogmatisch is het niet, in de zin dat er antwoorden worden gevonden op vragen. De vrouw is zoekende, ze stelt vragen die mensen elkaar niet zo snel stellen. Ze is veertig: vaak de leeftijd waarop iemand over geloof gaat nadenken en haar ideeën zijn dan ook veel uitgesprokener dan die van het meisje in Spookliefde.

“Al schrijvend probeer ik zelf ook iets te achterhalen, al wist ik nog helemaal niet waar dat zou eindigen toen ik de vrouw en de portier tegenover elkaar zette. Toch eindigt het ergens, maar ik wil dat niet precies benoemen. Een feit is dat ik nu meer met het geloof bezig ben dan vijftien jaar geleden.”

Binnen en buiten

Op een ander vlak ziet Vonne van der Meer duidelijker overeenkomsten tussen het stuk en Spookliefde. In beide werken legde ze een zelfde soort spanning tussen een naar binnen en naar buiten gekeerde wereld, tussen argeloosheid en het verlangen zich in het volle leven onder te dompelen.

In het verhaal blijkt dat uit de liefde van Phil voor de zwijgzame, naar binnen gerichte Michael en uit haar omgang met diens intellectuele tweelingbroer Seamus. Aan de laatste ontleent ze status, met hem kan ze praten en meer wereldse ervaringen delen. De zangeres in het stuk heeft binnen en buiten in zich verenigd. Aan de ene kant wil ze zichzelf 'binnenstebuiten' keren 'voor zalen met wildvreemde mensen', aan de andere kant verlangt ze terug naar de warmte en duisternis van de moederbuik.

Vonne van der Meer beschrijft al die gevoelens van haar personages nauwkeurig, zonder al te kwistig met woorden te strooien. Haar stijl is puntig, onderzoekend en beeldend. Haar boeken spelen een spel met de verbeelding. Verhalen die realistisch beginnen, nemen na verloop van tijd vaak een andere wending waardoor ze plotseling een fantastisch en bizar karakter krijgen.

Een duidelijk voorbeeld is de roman De reis naar het kind over een echtpaar dat op de valreep naar een kind gaat verlangen en - als de vrouw niet zwanger raakt - besluit een baby uit Peru te adopteren. Na haar reis door Peru komt de vrouw niet met een baby thuis maar met een 80-jarige kale man.

“De reacties op De reis naar het kind zijn altijd extreem geweest. Extreem negatief en extreem positief. Er waren mensen die op het moment dat de vrouw in een stoel die oude man aantreft in plaats van een baby, het boek woedend hebben weggeslingerd. Ze leefden zo mee met die vrouw die eindelijk een kind zou krijgen, terwijl ik denk dat ze wel konden zien aankomen dat het fout zou gaan. Toch vind ik het natuurlijk leuk als het een schok is.

“Uit de kritieken bleek soms dat men het boek ongeloofwaardig vond, maar dezelfde recensenten beginnen nu ineens in te zien dat ik altijd bezig ben geweest met realistische verhalen die ergens ontsporen.

“Een verhaal mag een vreemde fantasie bevatten, maar dat betekent niet dat ik me allerlei vrijheden permitteer. Wat ik beschrijf moet kloppen. En als ik iets niet precies weet, of je via een spiegel vanuit het dakraam in de badkamer van je buurvrouw kunt kijken, bel ik de decorontwerpster Judith Lansink en vraag of dat perspectivisch mogelijk is. Ik heb dat inzicht niet en ik wil niet dat mensen die dat wel hebben zich storen aan een stupiditeit in het verhaal.”

Verzinnen

Terugkomend op de rol van de verbeelding in haar werk, schiet haar een gebeurtenis van lang geleden door het hoofd die ze met enige schroom wel wil vertellen. “Als ik journalist was”, zegt ze, “zou ik mensen altijd de vraag stellen: heeft u ooit in doodsnood verkeerd en zo ja, wat deed u toen? Dat zegt veel over hoe je bent. Twintig jaar geleden ben ik eens 's nachts op een gracht bedreigd door iemand met een briefopener. Ik heb niet gevochten en niet gegild, ik heb een verhaal bedacht. Met die briefopener op mijn keel sloeg in drie seconden mijn fantasie op hol.

“Ik zei dat ik hartpatiënt was en ik begon te acteren. Ik liet me vallen, greep naar m'n borst, zo'n beetje in het midden omdat ik zo gauw niet wist waar m'n hart zat, links of rechts, riep dat er pillen in mijn tas zaten en dat ik het niet zou halen als hij me er niet gauw één gaf. Tegen de tijd dat de man de tas open had gemaakt om de pillen te zoeken was zijn adrenaline gezakt en vluchtte hij.

“Naderhand realiseerde ik me dat ik met dat verhaal mijn huid had gered. Het heeft mij in elk geval duidelijk gemaakt dat verzinnen mijn belangrijkste karaktereigenschap is.”