Laat kleine Rembrandt maar even lekker in zijn vuil; Kind is kunst: de tirannie van pampers en Rudolf Steiner

Laat kinderen kliederen en klodderen. Zorg dat ze op tijd van de poep naar het penseel kunnen grijpen, vindt Jan Wolkers. “In de musea zien we reeds de scheppingen van de afgeknepen generatie aan wie als peuter de kans is ontnomen op hun beddegoed hun darmtubes in vervoering leeg te knijpen tot een glijpartij van gebrande sienna en omber.”

Deze tekst sprak Jan Wolkers uit op 15 maart jl. tijdens het symposium Kind en Kunst II in het Museum Henriette Polak te Zutphen. Hij werkte mee aan een tentoonstelling over dit onderwerp in hetzelfde museum. Te zien t/m zondag 5 mei.

Een baby is één bonk spetterende waanzin en spontane creativiteit. Wie zich over de rand van de wieg buigt en veinst, meestal begeleid door weerzinwekkende kloekgeluiden, dat daar een gebakerd stukje schone onschuld aanschouwd wordt, moet zelf wel een monstrum zijn of één van de door liefde blindgeslagen ouders van het weerloos lijkende wicht. Vanuit een ouwelijk gerimpelde knolvormige substantie staren je een paar schaamteloze knikkerogen genadeloos aan.

Was het onbeschreven blad in week mensenvlees in staat om weer te geven wat zijn ogen waarnemen, we zouden zien dat het monster een monster heeft gebaard en dat de uitdrukking 'het kind met het badwater weggooien' ontstaan is uit een gezonde schrikreactie. Want u denkt toch niet dat het vooralsnog hulpeloze schepsel in de beate onbenullen die hem onnozel staan aan te grijnzen en die zichtbaar alles kwijt zijn wat hijzelf nog rijk is, homerische gestalten ziet die een goddelijke afstamming doen vermoeden.

Allerminst! Hij ziet gewoon aan die fysionomie van ouwe lappen dat hij op de aperots is terechtgekomen en hij zal het ernaar maken ook, de kleine kannibaal. Ware het niet dat het voor de evolutie noodzakelijk was dat de pasgeboren mens geruime tijd tandeloos bleef, de 'blazen van satijn' zouden al na een paar voedingen tot op de borstkas verslonden zijn met gulzige happen die de scheurende schroklust der piranha's tot een welhaast ingetogen manier van consumeren zou maken.

De angst voor het ongecoördineerde brokje nieuw leven heeft er altijd al diep ingezeten. Onze nog niet door moderne pedagogiek geplaagde voorouders wisten wel raad met die explosieve creativiteit en ongebreidelde levenslust. Zwachtelen dat springerige vlees tot bewegingloosheid, een kruisiging in zakformaat. In doeken gewonden tot een levend mummietje zodat de zieleroerselen in angstogen naar buiten puilen.

Gelukkig is daar voorgoed een einde aan gekomen, zou ik willen zeggen, als er sinds de Tweede Wereldoorlog niet opnieuw een verwoede aanval op de fecaliën- en urinedoordrenkte luier was ingezet. De pamper! Die kuisheidsgordel van kunststof waarmee men het prille ondervlees haast vacuüm afplakt, waarin de humus van de scheppingsdrift als bij toverslag wegzakt, die ons vol domme trots op de televisie getoond wordt met de Saharadroge billetjes eruit gepeld als hapklare brokken voor menig pedofiel die er zich naar hartelust van kan overtuigen dat hij op een droogje komt te zitten. En in onze musea zien we reeds de scheppingen verschijnen van die afgeknepen generatie aan wie als peuter de kans is ontnomen om op hun als maagdelijk linnen uitgespreide beddegoed hun darmtubes in vervoering leeg te knijpen tot een glijpartij van gebrande sienna en omber.

Geurloos

Middelbare heren bij wie voorheen geen scheet de kans kreeg om door het driedelig maatkostuum naar buiten te dringen, laten alsnog hun broek zakken om hun excrementen te trakteren op de bewondering van de museumbezoeker. Kranig gedaan, mijne heren! Maar hun uitwerpselen zijn allerminst van die sappig glanzende en dampende draaidrollen die men soms met oprechte spijt doorspoelt vanwege hun betoverende plastische uitstraling. Het zijn slecht verteerde samengeperste maaltijden die gematteerd zijn door de constipatie van lieden die hun eigen keutels met hun endeldarm masturberen. Geurloos, want je zou een aangelijnde skunk het museum mee in moeten nemen om nog iets te ruiken. Ze zijn het geurspoor volkomen bijster.

Begrijp me goed, ik heb niets tegen dit kuise uitwerpselen-piëtisme, maar er moet ingegrepen worden, anders blijven we tot ver in de eenentwintigste eeuw zitten met die dorre rietstaven die de hand doorboren. De luier, strijdvaardig gehesen als de vlag op de barricaden, moet in ere hersteld worden. Laat die spartelende wezentjes er toch lustig op los graaien in hun rijkgevulde drabzak. Nu zal men mij waarschijnlijk tegenwerpen dat onze zeventiende-eeuwse schilders toch ook behoorlijk ingebakerd zullen zijn geweest. Is het u nooit opgevallen dat de aristocratie en de patriciërs zelden of nooit grote kunstenaars hebben voortgebracht. Het bleef meestal bij een veredeld dilettantisme.

Geen wonder. Zij hadden de tijd en het personeel om hun nakomelingetjes potdicht te snoeren. Maar wat denkt u van het echtpaar Van Rijn, nijvere molenaars die in het zweet huns aanschijns moesten werken. Vermoedt u ook niet dat ze vaak gedacht zullen hebben als de molenwieken hun Schubertdeuntje suisden en de molenstenen knarsend het graan verpulverden, laat die kleine Rembrandt maar even lekker in zijn vuil, aan de Nachtwacht is hij toch nog lang niet toe. En wat te denken van het timmermansgezin in Bethlehem. Gelooft u dat die de tijd hadden om onze kleine Messias in te snoeren. Hoe denkt u die toeloop van herders en koningen te verklaren? De ster, zult u zeggen. Sterren stralen overal! Ze kwamen gewoon met hun neus in de wind op de geur van de kleine kribbebevuiler af.

Heiligheid heeft maar al te vaak een onvervalste strontlucht. Het laisser-aller van de kleine neringdoenden is de bakermat der schilderkunst. En soms zelfs van de godsdienst.

Ik geloof dat wat de zelfexpressie betreft je kinderen zo min mogelijk in de weg moet zitten. Laat ze maar klodderen en kliederen. Zorg dat ze op tijd van de poep naar het penseel kunnen grijpen. Als ze even met hun viltstift wat borsthaar op je dijbeen willen aanbrengen, gun ze de tijd. Maak ze geen verwijt als ze op muren krassen om hun Altamira te ontdekken want het is een noodzaak voor ze om overal hun wezen op uit te drukken, opdat je niet gewogen wordt en te licht bevonden. Uit dat woud van krassen zullen op den duur gestalten opdoemen waarin u uzelf schijnt te moeten herkennen. Pappa! Mamma!

Ze zien u nog steeds als een monster, maar als u ze geen strobreed in hun ontwikkeling in de weg hebt gelegd, wel als een monstre sacré. En als u kinderen van kunstenaars over de vloer krijgt zullen die waarschijnlijk zeggen als ze het werk van uw dreumesen onder krijgen 'dat kan mijn vader ook'. En in veel gevallen is dat ook wel zo, want in deze eeuw zijn de beeldende kunsten van kind naar volwassene en van volwassene naar kind als communicerende vaten gaan werken.

Jean-Jacques Rousseau schrijft in Emile of Over de Opvoeding: 'Het geluk van volwassenen en kinderen bestaat in het goed gebruik van hun vrijheid. Vrij zijn betekent: genoeg hebben aan zichzelf om te kunnen verwezenlijken wat men wil.' Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik als jongetje van amper tien jaar, hunkerend naar die zelfverwezenlijking, de risee van de klas werd tijdens de tekenles. We kregene voorgedrukte afbeeldingen van een huis met een boom ernaast en een gazon ervoor waarvan de contouren zo zwart en onverzettelijk omlijnd waren dat de voorwerpen met stugge dropveters afgebakend leken. Daarbinnen moest je kleuren aanbrengen, hoe egaler hoe genialer. Ik had dus niets te verliezen dan die ketenen van drop.

Gras

Als een wildeman liet ik het gras ten hemel schieten en alle kanten op groeien, want ik had er te vaak in gelegen om zeker te weten dat Onze Lieve Heer niet in Heugatapijt deed. Toen de meester zich ontsteld over de tekening boog en bijna persoonlijk beledigd luidkeels vroeg wat dat voor geknoei was, zei ik gedecideerd: 'Gras groeit recht omhoog'. En toen barstte er een lachtsalvo los van mijn klasgenootjes, die zich in hun latere leven allemaal in de dropveters hebben laten zetten, zich hebben laten drillen in administratieve baantjes waarin ze vreugdeloos als witte-boorden-proletariaat zijn versleten.

Kinderen kunnen beter verwaarloosd worden dan volgens een bepaalde didactische methode gedrild. Mocht u, om uw nakomelingetje zo beslagen mogelijk ten ijs te laten komen, Opvoedkunst, methodisch-didactische aanwijzingen van Rudolf Steiner aangeschaft hebben, bedenk dan dat het nog niet te laat is. Maak een emmer behangerspap en stop daar die uitwas van weke bedilzucht, dwangneurotische perversiteiten en belerende onzin diep in weg en zet die aan de stoeprand naast de vuilnisbak. Zo, dat lucht op! We gaan van ons nakroost geen dikdoenerige onbenullen of geslepen werkschuwe psychopaten maken. Of wilt u die oogappels van u toch door de mangel halen? Ga ze dan maar verminken, maar ik heb u gewaarschuwd. Hier is het recept van de kinderbeul van de Freie Waldorfschule.

U hoeft er beslist niet voor terug te schrikken om tamelijk vroeg - het is juist heel goed om zoiets heel vroeg al met kinderen te doen - potjes verf neer te zetten, een glas water ernaast, en een penseel te pakken. U doopt het penseel in het water, neemt wat verf en brengt een klein geel vlak aan op het papier. Nadat u dit kleine gele vlak gemaakt hebt, laat u ieder kind zo'n geel vlak maken. Ieder kind moet wat tussenruimte laten tussen de verschillende vlakken. Tenslotte heeft u een zeker aantal gele vlakken. Dan doopt u zelf het penseel in blauw en maakt u vlak naast het kleine gele vlak een blauw vlak. Nu laat u de kinderen ook een blauw vlak maken. Nadat ongeveer de helft van de kindren dat gedaan heeft, zegt u: Nu gaan we iets anders doen. Nu doop ik het penseel in groen en maak bij de andere kleuren een groen vlak. Door de andere kinderen laat ik nu op dezelfde wijze groene vlakjes maken. Dat zal wel enige tijd in beslag nemen. De kinderen zullen het goed verteren.Dat verteren lijkt me niet zo'n gelukkige vertaling, maar ongewild geeft het goed aan hoe dwangmatig ze dit vlakjesgedoe door de strot geduwd wordt. Maar we gaan nog even verder want de drinkbeker der domheid bevat nog heel wat droesem.

Het komt er steeds op aan heel langzaam, met heel weinig, de lessen uit te breiden. En dan moet u zeggen: Nu zal ik jullie iets vertellen wat jullie nog niet zo goed zullen begrijpen, maar wat jullie later eens heel goed zullen begrijpen. Wat we daar hebben gedaan, bovenaan, waar het blauw naast het geel staat, dat is mooier dan wat we daaronder hebben gedaan. Blauw naast geel is mooier dan groen naast geel! Dat zal een diepe blijvende indruk maken in de ziel van het kind. Men zal er herhaaldelijk op terug moeten komen, maar het kind zelf zal het ook steeds dieper in zich opnemen. Het zal dat niet op een onverschillige wijze doen, maar het zal aan de hand van eenvoudige, simpele voorbeelden heel goed leren begrijpen om langzamerhand gevoelsmatig een onderscheid te maken tussen mooi en minder mooi.

Dwangbuis

Ik zou u niet zo kwellen door uitgebreid te citeren uit dit methodisch-didactisch werkje, dat bol staat van dwingelandij en dat in de oorspronkelijke taal nog wel wat drammeriger zal klinken, als deze klinkklare waanzin, die in 1919 op de Freie Waldorfschule voordrachtsgewijs is ontstaan, vlak na het verschijnen weggehoond en naar de prullenbak verwezen was. Maar het blijkt helaas nog steeds gebruikt te worden om de jeugd in een dwangbuis van betutteling en verkapte tirannie te persen, zodat onwillekeurig de dichtregels van Joost van den Vondel in je opkomen, Ick word te styf geparst, En 't werckt als nieuwe wyn, die tot de spon uytbarst. En dan beperk ik me nog maar tot een paar kleine facetten van de ideeën van deze verwrongen geest. Het zal nu wel duidelijk zijn hoe opgelucht ik was toen ik vernam dat Rudolf Steiner in het jaar dat ik geboren werd horizontaal het wereldtoneel heeft verlaten.

De kunstzinnige uitingen van kinderen, en dat is geen axioma maar een natuurwet die men niet mag aanranden, moeten zo natuurlijk kunnen ontstaan als een boom in bloei komt, om een uitspraak van John Keats te parafraseren. Val ze niet lastig met gekleurde vlakjes die mooi of lelijk zijn opdat ze niet in het keurslijf der betweters geprangd worden. Laat ze wapperend hun vleugels uitslaan. Ook een geboren registeraccountant, al heeft hij zich niet op adelaarswieken mogen verheffen boven de credit- en debetzijde van het bestaan, zal zich zijn hele leven de ruis van de eeuwigheid herinneren van zijn kleine vlerkjes. Maar mijn bloei is schoon geweest. En de kans zit er zelfs in dat hij op zijn sterfbed, als alles hem ontvalt in de sneeuw van vergetelheid, zal stamelen terwijl hij door een fractie van tijd weer is opgenomen in de creatieve kolking van zijn prille kinderjaren, Rosebud.

Als we het over de creatieve ontwikkeling van het kind hebben, meen ik dat ik wel enig recht van spreken heb. Ik kom als het ware zo uit de kinderkamer gestapt. Van mijn beide zonen van vijftien, een twee-eiige tweeling, heb ik de verrichtingen met potlood, kleurkrijt en penseel nauwlettend in de gaten gehouden, zonder van hinderlijk volgen beticht te kunnen worden. Uit hun kraai- en strompelperiode heb ik pakken tekenpapier van ze, heftig volgekrast met melkwegstelsels en Andromeda-nevels, met woeste spetters en vlekkenexplosies waar de heer E. Rorschach zelfs niet van gedroomd heeft.

Uit die oersoep doken op den duur monsters en gedrochten op, duivels en gevallen engelen, zonder dat de Bijbel de jongens ooit ter ore was gekomen. En toen, uit al die innerlijke woelingen ontstond er ineens iets dat ze hadden waargenomen. 'Ja, dat is de poes.' En toen was het hek van de grot. Ze gingen bloemen en planten tekenen, dieren boetseren. Iedere zondagochtend zette ik een stilleven voor ze neer en verdween dan naar mijn atelier. Ik heb ze er nooit bij geholpen, ik vond dat ze het zelf maar moesten zien te klaren. Dat ik de voorwerpen van het stilleven voor ze neerzette, had meer te maken met het feit dat ze anders ruzie kregen omdat ze allebei het zo frontaal mogelijk in het oog wilden hebben. En met die tekeningen en aquarellen mee krijg je ook nog een duidelijk inzicht in het verschil van karakter van de beide jongens.

Tussen de bedrijven door liet ik ze vaak boeken bekijken met reprodukties naar schilderijen en foto's van beeldhouwwerken en architectuur. Maar nu moet ik bekennen dat daar de laatste tijd aardig de klad in is gekomen en dat ze maar al te gretig De Triomf van de Dood van Breugel verwisseld hebben voor Nightmare on Elmstreet en Hellraiser. Ze zijn even uit hun baan geraakt en in de ban van de geweldsindustrie terechtgekomen. Films waarin een vredig levend gezin binnen de kortste keren door een maniak met een kettingzaag tot satévlees wordt verwerkt of waarin een kannibalistische psychopaat zich energiek door de vlezige wangen van een politieagent naar diens achter zijn kiezen gestoken pruim bijt, vinden ze momenteel boeiender dan de waterlelies van Monet.

Kettingzaag

Als je wat tegengas wilt geven om aan te tonen dat ze er in de beeldende kunst soms ook vrij stevig tegenaan gingen en ze uit De Verschrikkingen van de Oorlog van Goya een prent laat zien van een Spaanse guerrillastrijder die door Napoleontische soldaten aan een boomstronk opgehangen is, met zijn pantalon op zijn wreven en zijn afgesneden geslachtsdeel uit zijn mond als een tweede tong, weten ze meteen de titel van een horrorfilm te noemen waarin het slachtoffer in levenden lijve van zijn edele delen wordt ontdaan, waarna met een slijpmachine het schedeldak wordt gelicht zodat van penis, scrotum en hersens in die bloederige kom van menselijk gebeente met de staafmixer een goed smeerbare paté vervaardigd kan worden.

Toen ik enige tijd geleden, omdat mijn uitzicht mij door wild opschietend geboomte ontnomen werd, met een kettingzaag het huis in kwam, keken ze me ontsteld aan. Ze kenden het eigenlijk gebruik van dat stuk gereedschap niet. Ach, het behoort allemaal tot hun fantasiewereld waar ook hun creativiteit uit voortspruit. Ieder kind heeft recht op een portie ongezouten verdorvenheid en onsmakelijkheden. Zelfs op dat glibberige pad blijft kind kunst. Ook ik heb in mijn jeugd Ezau verwisseld voor Boris Karloff. Maar het is toch weer op z'n oudtestamentistische pootjes terechtgekomen.