Jandls verbreking van illusie blijkt een doorzichtige truc

Voorstelling: Uit den vreemde van Ernst Jandl door Art & Pro. Vertaling: Judith Herzberg. Regie: Frans Strijards. Spel: Theo de Groot, Marieke van Leeuwen, Kees Scholten. Gezien: 20/3, Rozentheater, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 13/4, daarna elders t/m 25/5. Inl 020-6276162.

Kunstmatigheid bepaalt de toon in Ernst Jandls stuk Uit den vreemde (1979). Net als de twee andere personages spreekt de centrale figuur, een schrijver, over zichzelf in de derde persoon. Hij zegt bij voorbeeld: “Hij betreurt de vruchteloosheid van zijn papieren dagen”, in plaats van “ik” en “mijn”. Bovendien voegen zijn woorden en die van de andere twee zich in strofen van drie korte regels, die vaak in de aanvoegende wijs zijn gesteld. Zo roept de schrijver in de telefoonhoorn: “Dat er een taxi kome!” om vervolgens op te hangen. De taxi komt inderdaad, dus er is ook nog eens sprake van onbestaanbare werkelijkheid.

Hoe vreemd dit alles mag zijn, als zodanig ervaart men het nauwelijks. Welk mechaniek in onze hersenen ervoor zorgt, weet ik niet, maar we beseffen onmiddellijk dat de schrijver 'hij' zegt als hij 'ik' bedoelt. Ook dank zij Jandl natuurlijk, of nee, dank zij de acteur. Als die zegt: “dat hij zijn ogen sluite”, en hij sluit zijn ogen, dan begrijpen we hoe het zit.

Wat we ook doorzien is het effect van de methode - en niet omdat Jandl bij monde van zijn hoofdpersonage die een schrijver is, halverwege het stuk begint te theoretiseren over “objectivering en verbreking van de illusie” en over “relativering” en “het vertelde” dat “door het zichtbare (-) terugkeert in het stuk”. Soms lijkt Brecht zo oud als de wereld, zo gesneden als deze koek is. We kijken naar de illustratie van het vertelde - hij pakt zijn post en zegt: “Hij pakt zijn post” - en naar de afstand daartussen. We kijken naar illusie die mogelijkerwijs waarheid bevat.

Dat is het procédé, en ik ben er niet kapot van. Het heeft iets gemakkelijks, dat trucje dat Jandl ontslaat van stilistische inspanningen, ja van de noodzaak schrijfkunst aan de dag te leggen. Zijn stuk is in de eerste plaats een vormexperiment en dan pas een stuk over een schrijver die wanhoopt voor het lege vel, kostbare tijd verdoet, drinkt en slaappillen slikt en zijn vriendin aan een lijntje houdt. Zijn vertwijfeling en lethargie blijken nu indirect, wat misschien raadselachtigheid oplevert, maar raadselachtige directheid is moeilijker te bereiken en alleen al daardoor van een hogere orde.

Regisseur Frans Strijards heeft gekozen voor een realistische enscenering: terecht waarschijnlijk, want nog meer abstrahering is dubbelop. Maar onvervalst is het realisme niet. Theo de Groot als de dichter ontkomt niet aan Strijards voorliefde voor choreografische pasjes en pirouetjes en op bed vallen-met-minnares is dus vooral een uitzonderlijk vallen, op een stapel boeken, meteen gevolgd door een schrikachtig opstaan. Zo wordt ook de sigaret die 'hij' aansteekt, niet aangestoken en meer in het algemeen is de tekstbehandeling toneelmatig. Iets te hoog of te laag van toon, met een onverwachte uitval hier en een even onverhoedse toonloosheid daar.

Het is een benadering, een manier om dit Uit den vreemde vorm te geven. Opzienbarend is zij niet, in geen enkele zin. Art & Pro doet Jandl: dat is wat je, geheel en al geobjectiveerd, opsteekt van deze voorstelling.