Het wantrouwen lag bij CTSV op de loer

DEN HAAG, 22 MAART. Een tactisch optreden van het CTSV-bestuur was vereist, klinkt in Roods woorden door, ook intern. Het apparaat van het CTSV, afkomstig van de Sociale Verzekeringsraad, was gewend te verkeren met de sociale partners die een beslissende rol speelden. Wantrouwen lag dus op de loer bij de komst van een nieuw bestuur en daarom verdiende de samenstelling hiervan bijzondere aandacht.

Het was staatssecretaris Linschoten die de drie oud-politici voor benoeming tot CTSV-bestuurslid bij het kabinet voordroeg, te beginnen met zijn partijgenote Van Leeuwen als voorzitter. Een ambtenaar van Sociale Zaken vertelde Rood dat er bij het CTSV-apparaat een “cultuuromslag” nodig was; “Daar moest het nieuwe bestuur bovenop gaan zitten”. Een weeffout leek van het begin af het feit dat de drie fulltime bestuurders te maken kregen met vier directeuren. Een zeer zware top dus voor een orgaan waar 200 mensen werken. Het was vragen om moeilijkheden. Bij het ministerie had men zich dat niet zo gerealiseerd. Het CTSV moest, als zelfstandig bestuursorgaan, naar eigen inzicht zijn ambtelijk apparaat organiseren, vond het departement.

Ten minste zo belangrijk was in de opvatting van het ministerie de relatie met de uitvoeringsorganen die onder het toezicht van het CTSV vielen. Afgaande op de gesprekspartners van Rood is die verstandhouding inmiddels buitengewoon beroerd. “Er is sprake van een gigantisch wantrouwen ten opzichte van het bestuur.” Zo groot, hebben de uitvoerders Rood laten weten, dat er binnen de uitvoeringsorganen mensen zijn “die als ze de kans krijgen het bestuur pootje te lichten dat zeker niet zullen laten”.

Dit lijkt op het eerste gezicht een bevestiging van de beschuldiging die CTSV-bestuurder Van Otterloo gisteren uitte, dat de sociale partners - de besturen van de uitvoeringsorganen dus - op de val van het bestuur uit waren om zo een einde te maken aan het door hen verfoeide onafhankelijke toezicht. Er zou een soort complot van sociale partners en CTSV-personeel bestaan. Ook VVD-leider Bolkestein liet zich in dergelijke woorden uit - tot woede van werkgeversorganisatie VNO/NCW en vakcentrale FNV.

Maar Rood spreekt zulke suggesties tegen. Ze behoren volgens hem tot “het vijandbeeld” dat het CTSV-bestuur om zich heen heeft opgeroepen. “Ik heb geen sporen aangetroffen van impulsen of machinaties, geïnspireerd door de sociale partners, met de bedoeling de systeembreuk weer ongedaan te maken.”

Hoe dan ook, van een relatie tussen CTSV-bestuur en uitvoeringsorganen is volgens een van hun vertegenwoordigers eigenlijk helemaal geen sprake. “Er is geen communicatie, geen dialoog, geen betrokkenheid.” Het bestuur wordt een afstandelijke houding verweten met een overmatige aandacht voor het detail.

Het CTSV-bestuur verklaart de kritiek van de uitvoerders uit de voorgeschiedenis, blijkt uit het rapport van Rood. “Men had nooit gedacht dat wij niet bereid zouden zijn om 'zaken' met de uitvoerders te doen”, noteert de hoogleraar uit de mond van de bestuursleden. “Anders dan de SVR zijn wij niet bereid om onrechtmatigheden toe te dekken.” En daarvan waren er volgens het bestuur heel veel: in 43 procent van de besluiten die het moest beoordelen zaten fouten.

De medewerkers van het CTSV zitten met de beroerde verstandhouding tussen het CTSV-bestuur en de uitvoeringsorganen in hun maag, zo blijkt uit het rapport. “Het apparaat begint last te ondervinden van de slechte relatie van het bestuur met het veld. Stelselmatig wordt geprobeerd informatie zo lang mogelijk achter te houden. We worden hoe langer hoe minder serieus genomen. Als het kan zullen de uitvoeringsorganisaties niet nalaten ons beentje te lichten”, zegt een van de medewerkers in het rapport. Anderen beweren: “Er is geen vertrouwen, geen respect. Toezicht zonder vertrouwen kan niet effectief zijn.”

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dacht aanvankelijk: spanning tussen de toezichthouder en de uitvoeringsorganen, dat hoort erbij. Sterker nog: dat is eigenlijk wel goed. “Dat kan betekenen dat die toezichthouder zijn werk goed en kritisch doet.” Totdat in de loop van 1995 bij het departement signalen binnenkwamen dat er “echt iets mis is”. Signalen die erop wezen dat het bestuur “nog slechts kon bogen op formeel gezag en niet langer op materieel gezag”. Het departement sprak er wel over, maar ging nog steeds uit van de zelfstandigheid van het CTSV.

Tussen het bestuur en het ambtelijk apparaat van het CTSV boterde het van meet af aan niet. Het bestuur zegt een apparaat te hebben aangetroffen “dat gewend was aan andere taken, dat gekenmerkt werd door een ouderwetse consensus-cultuur” (..) “De organisatie kende nauwelijks samenhang; het was eerder een soort eilandenrijk.” Het bestuur schoof al kort na zijn aantreden een ambtelijk rapport (het 'dossier Nieuw Bestuur') met een beschrijving van de beoogde taakverdeling terzijde. Daarin werden vrijwel alle taken aan de directie gemandateerd, zegt het bestuur. “Daarvoor trek je geen drie fulltime bestuurders aan.”

Het bestuur schakelde vervolgens het organisatiebureau Berenschot in om aanbevelingen over de organisatie te doen. Het gevolg daarvan was dat één CTSV-directeur werd ontslagen en twee anderen te horen kregen dat voor hen een andere functie zou worden gezocht. Het inhuren van Berenschot en het “zonder nader overleg” terzijde schuiven van het 'dossier Nieuw Bestuur' kwam bij het CTSV-apparaat hard aan. De ambtenaren beschouwden het als een teken van wantrouwen, concludeert Rood. Een van hen noemt het rapport van Berenschot “the root of all evil”. Het laat zich raden dat de relatie tussen het bestuur en de nog zittende directeuren bekoelde. Dat lag evenwel niet voor de hand voor de verstandhouding met de nieuwe directeur die door het bestuur zelf was aangetrokken. In september kwam E. Czyzewski, afkomstig van de Sociale Dienst van Rotterdam, bij het CTSV als directeur toezichtbedrijf en als eerste man van de directie. Op hem heeft het bestuur zich kennelijk volledig verkeken. Hij hield zich niet aan zijn opdracht, maar “heeft nadrukkelijk de taken en bevoegdheden van het bestuur ter discussie willen stellen”, zo luidt de klacht van het bestuur. Czyzewski meende dat het een taak van de directie was om het beleid vast te stellen en dat het bestuur daaraan zijn goedkeuring kon geven, zegt het bestuur. Het noemt deze situatie “onacceptabel”. Czyzewski “was voortdurend op zoek naar macht”.

Het bestuur zegde Czyzewski medio februari van dit jaar ontslag aan. Dit was voor de ondernemingsraad de druppel die de emmer deed overlopen. De raad, die juist zeer te spreken was over de inspanningen van de directeur toezichtbedrijf, zegde het vertrouwen in het bestuur op. Daarmee was het conflict geëscaleerd. Linschoten greep in: hij trok professor Rood als adviseur aan.

De relatie tussen het ministerie en het CTSV is intussen ook niet zonder problemen, zo is Rood gebleken. Het bestuur lijkt tussen twee vuren te zitten. De eigen medewerkers vinden dat het te veel aan de leiband van het ministerie loopt en dus niet echt onafhankelijk is. Het departement daarentegen verwijt het CTSV zich te politiek te profileren. Het bestuur verzucht: “Het is misschien ons noodlot: eens een politicus, altijd een politicus. Maar wij maken geen beleid en zijn er ook niet op uit.”

Vrijwel algemeen is de klacht dat het bestuur geen kennis van zaken heeft van de materie. Dit hoeft geen ramp te zijn; daar zijn de medewerkers ten slotte voor. Adequate bestuurlijke en sociale vaardigheden als kwaliteiten van een bestuur worden veel belangrijker gevonden. Maar juist het oordeel daarover is “negatief”, concludeert Rood.

Medewerkers van het CTSV zeggen: “Het bestuur mist de sociale en bestuurlijke vaardigheden om een effectieve relatie te onderhouden met het veld en het eigen apparaat. (..) Er wordt zeer defensief gereageerd vanuit een positie van onzekerheid. Vergaderingen tussen en bestuur en directie verlopen zeer chaotisch. (..) Met name de voorzitster is als een muur. (..) De voorzitster luistert vooral naar zichzelf. Er zit steeds een vast patroon in: eerst ontkent ze het probleem en als ze daar niet mee wegkomt, legt ze het vervolgens bij een ander.” De uitvoeringsorganen omschrijven de omgangsvormen van het bestuur als “afstandelijk, spanning oproepend, bot, krampachtig en kil”.

Het CTSV is “ernstig ziek”. Dat concludeert Rood na al zijn bevindingen. Hij spaart de directie niet. “Mij heeft niet getroffen dat de directie zich eraan heeft gezet de problemen op te lossen of de handen ineen te slaan.” Liever, stelt Rood vast, schreef de directie “confronterende brieven” of bracht zij “de zwakke kanten van het bestuur” naar buiten. Toch zegt Rood bepaald niet de indruk te hebben gekregen dat de directie haar werk niet naar behoren is blijven doen.

Zijn conclusie over het bestuur is hieraan tegengesteld. Het bestuur bezit “een geringe materiekennis” en heeft te weinig oog voor het nadeel dat dit betekent. Rood verwijt het ministerie dat het de bestuursleden te weinig op hun taak heeft voorbereid. Maar ter verklaring van de fricties tussen CTSV-bestuur, medewerkers en uitvoeringsinstellingen geldt iets anders. Dat was de bestuurlijke stijl van het trio. “Die afwerende, gelijkhebberige stijl”, constateert Rood, “ruimde geen of nauwelijks plaats in voor gedachtenwisseling of reflectie. Veeleer poneerden de bestuursleden zich als degenen die de macht bezitten, zodat reeds om die reden moet gebeuren wat zij vinden.”