Het gruwelijke zit hem niet in de wreedheid; Bij de dood van cineast Krzysztof Kieslowski

Als ze verstandig waren, zouden priesters en dominees elke zondagochtend in de kerk films van Krzysztof Kieslowski vertonen. Vorige week overleed de regisseur van de Dekalog-cyclus . “In Kieslowski's Dekalog zie je de wereld zoals God hem zou kunnen zien: hoofdschuddend, zonder ook maar een mogelijkheid tot verbetering.”

In Desmet in Amsterdam draait t/m 27 mrt elke avond een deel van de Dekalog. Ook Blind Chance en La double vie de Véronique worden vertoond. Inl. 020-6387770. Vrijwel alle films van Kieslowski zijn te huur in de betere videotheek.

Als ik terugkijk op het werk van de vorige week gestorven Krzysztof Kieslowski, denk ik meteen aan A Short Film about Killing (1988), zijn meesterwerk en een van de meest beklemmende films ooit gemaakt. In zijn latere films - dat is: vanaf Blind Chance (1982) - hield hij zich steeds bezig met onontkoombaarheid en onafwendbaarheid, maar nooit overtrof hij zijn 'kleine studie over de dood', waarin een jongen een taxichauffeur wurgt en later door het gerecht wordt opgehangen.

Het is een film die destijds veel opschudding veroorzaakte. Tijdens de vertoning op het filmfestival van Cannes vluchtte driekwart van het publiek de zaal uit om tussen would-be filmsterren, tweederangs producers en stukjes doorbellende journalisten weer 'tot zichzelf' te komen. Ik vermeld dit gegeven omdat het duidelijk maakt dat zelfs geroutineerde, verveeld alle nieuwtjes aflopende filmkijkers de beelden niet konden verdragen.

Toch is wat Kieslowski toont allerminst spectaculair. Maar juist zijn klinische, 'droge' benadering maakt het zo ijzingwekkend.

Bij geweld denkt de geconditioneerde kijker onmiddellijk aan woede, onbeheerstheid en een werveling van onrust - neem bijvoorbeeld de beroemde douche-scène in Hitchcocks Psycho. Al helemaal een vertrouwd gegeven is het 'gerechtvaardigde vermoorden' van onmensen die niet beter verdienen - bekend van westerns, waar gemene, bovendien krom Engels brabbelende indianen op haast choreografische wijze worden afgeknald, en van sympathieke grootverdelgers als Schwarzenegger en Stallone, die meteen als zodanig herkenbare vertegenwoordigers van het Kwaad per dozijn uitroeien omdat zulks tenminste opschiet.

In A Short Film about Killing is dat alles niet aan de orde. Het gaat uitsluitend over doodmaken en sterven; geen motieven, geen emoties, geen doel, nut of zin. Nooit zal ik het gezicht vergeten van die nare taxichauffeur die ineens het koord om zijn nek voelt: verbazing, verbijstering, wanhoop, doodsangst, onmacht en overgave. Maar ook het gezicht van die jongen vergeet ik niet meer: de opwelling, het doorzettingsvermogen en de leegte van het voldongene.

Het gruwelijke zit hem niet eens in de wreedheid, Kieslowski heeft er immers alles aan gedaan om medelijden uit te bannen door het slachtoffer zo onsympathiek mogelijk voor te stellen. Bovendien zijn er in het horror-genre wel wredere methoden uitgedacht. Het gruwelijke komt veeleer voort uit de intimiteit waarin het doden geschiedt. Je zit, met camera en al, opgesloten in de dichte taxi. Maar ook als de camera naar buiten gaat en door het autoraampje naar binnen gluurt, blijft de benauwdheid bestaan. Deze intimiteit maakt de kijker niet alleen tot getuige, maar ook tot deelgenoot. En het is deze ongewenste betrokkenheid die zo op de zenuwen werkt.

Dat het Kieslowski hierom te doen is geweest, wordt duidelijk wanneer de jonge moordenaar na zijn veroordeling door wetsdienaren wordt terechtgesteld. Kon je bij de taximoord nog denken: het had ook niet kunnen gebeuren, bij de executie krijg je een gevoel van voldongenheid, want iedereen is onderworpen aan wetten waar niet aan te tornen valt.

Maar is er inderdaad niets tegen te doen? Deze vraag komt op door het optreden van een jonge, beginnende jurist, montere bijfiguur in deze geschiedenis. Terwijl de noodlottigheden zich voltrekken loopt hij hoopvol rond op de achtergrond, met verheven gedachten over het recht. Maar ook deze voorvechter van het goede legt ten langen leste het moede hoofd in de schoot - en de kijker met hem. Het is - meer dan de terechtstelling zelf - deze acceptatie van gruwelijkheid die je zo'n naargeestig, beklemd gevoel geeft. Op geraffineerde wijze heeft Kieslowski je in zijn film van ongewild getuige nolens volens tot medeplichtige gemaakt.

Onmacht

A Short Film about Killing is geïnspireerd op het Zesde Gebod ('Gij zult niet doden') en maakt deel uit van de tiendelige cyclus Dekalog, waarin Kieslowski aan de hand van Mozes' Wetten 'de morele dilemma's van deze tijd onderzoekt', zoals het in de kritiek heette.

Achteraf denk ik dat het veeleer gaat om morele onmacht. De Tien Geboden worden in deze cyclus niet zozeer overtreden, het probleem is dat ze niet meer worden herkend. Dat bleek ook uit de verwarring tijdens de vertoning op het Rotterdamse Filmfestival: de films hadden als titel slechts een nummer, zodat er blaadjes moesten worden uitgedeeld om het publiek te laten weten om welk gebod het ging. Ook de personages lijken niet te weten met welk gebod ze te maken hebben; ze vertrouwen op de 'vrije wil' en de 'keuze uit verschillende mogelijkheden' en begrijpen niet waarom ze de gebeurtenissen niet meer in de hand blijken te kunnen houden.

De vrije keuze die tot verkeerde beslissingen leidt, het nietige toeval dat de eigen wil tot futiliteit degradeert, de langzame onderwerping aan de onvermijdelijkheid, c.q. het noodlot - het is sinds Blind Chance steeds Kieslowski's thema geweest. In die zin lijkt Kieslowski op de Dood uit P.N. van Eycks oude meezinger, waarin zoveel verbazing heerst over 's tuinmans omwegen naar het reeds vastgestelde doel. In de hele Dekalog, maar ook in de Franse films (La double vie de Véronique en de driedelige cyclus Trois couleurs) volgt de cineast op afstandelijke, haast 'objectieve' wijze de verlangens en de verwachtingen, maar ook de laffe uitvluchten en de voorzorgsmaatregelen der personages, zich stilletjes verbazend over hun vertrouwen in zekerheden die helemaal geen zekerheden zullen blijken te zijn.

Hybris

Het is de wereld zonder God, dacht ik toen ik de Dekalog voor het eerst zag. De personages geloven immers liever in zichzelf, een hybris waar ze voor gestraft worden zonder dat ze kunnen begrijpen wat ze hebben misdaan. Maar later begreep ik dat de Dekalog wèl over God gaat, maar over een God die de mensen niet meer kan helpen omdat ze uitsluitend op zichzelf en hun vrije wil vertrouwen. In de Dekalog zie je de wereld zoals God hem zou kunnen zien: hoofdschuddend, zonder ook maar een mogelijkheid tot verbetering.

De God van Kieslowski is niet de Bijbelse tiran die ingrijpt waar het Hem schikt en laat verrekken wanneer Hem dat goeddunkt, maar het Noodlot waarmee de stuurloze zich hoopt te verzoenen. Deze God heeft met de dood te maken, met de angst en de verschrikking - en door Hem te leren kennen, kun je hopen minder bang te zijn en te aanvaarden dat dingen lopen zoals de dingen het willen, want de dingen zijn van God.

De cynische Kieslowski heeft met zijn Dekalog laten zien dat een moraal nooit op persoonlijk nut en nadeel gebaseerd kan zijn. Er moet, zo lijkt hij te stellen, meer zijn. Je moet kunnen geloven in een wereld die het 'ik' te boven gaat. Wellicht kan dit bereikt worden zonder de Bijbel, maar niet zonder de uitspraak daarin dat de mens slechts een riet is, gekrookt door de wind. Ik houd daar wel van: laat de nietigheid neerdalen op de hoofden der hoogmoedigen.

Het kan geen toeval zijn dat uitgerekend in de bioscoop, die profane offerplaats der angsten en verlangens, deze boodschap zo luid wordt verkondigd. Martin Scorsese ('You pay for your sins in the streets'), Andrej Tarkovski, Ingmar Bergman, Akira Kurosawa - alle grote filmmakers verbreiden het moderne evangelie van de wanhoop. God als de erkenning dat er een wereld zonder 'ik' bestaat, want hoe kun je de dood begrijpen als er niets is buiten de enge grenzen van de zelfzuchtigheid en het eigenbelang? Als de dood slechts vernietiging is en geen verlossing of verzoening?

In het licht van deze theologische bespiegelingen is het onbegrijpelijk dat de kerken de bioscoop altijd zo fel hebben bestreden als een plek der zonde. Enkele jaren geleden nog, bij de première van Scorsese's The Last Temptation of Christ, protesteerden samengedromde christenen omdat ze er niet aan wilden dat hun Heer aan het Kruis mogelijk last heeft gekregen van een opspelende stijve. Geen wonder dat de kerkbanken leeg blijven. Vroeger pakten ze het beter aan, met Jeroen Bosch en Michelangelo en El Greco. Als ze verstandig waren geweest, hadden priesters, dominees, rabbi's en de hele rataplan in hun kille en winderige godshuizen projectieschermen geïnstalleerd om op zondagochtenden voor een volle bak Salò van Pasolini, Casino van Martin Scorsese of het Tiende Gebod van Kieslowski (over begeerte en postzegels) te vertonen - of voor mijn part de Dikke en de Dunne. In zulke films ervaar je wat in mis of dienst een dode letter blijft.

Maar het is goed dat het zo niet gelopen is. In kerken wordt de moraal uit het hoofd opgedreund, terwijl het iets is wat je, zoals Scorsese zo goed duidelijk maakt, door schade en schande leert kennen. Het goede ligt voorbij het kwaad. Zonder zonde is slechts degene die er nooit de gelegenheid toe had, las ik ooit op de binnenkant van een pleedeur.

Sigaret

In de documentaire die de VPRO afgelopen zondagavond uitzond, vertelde Kieslowski dat hij het met zijn leven wel had gehad. Nu maken uitzendingen met zojuist gestorven grootheden vaker de indruk alsof de grootheden reeds wisten dat ze weldra dood zouden zijn, maar bij Kieslowski heb ik die postume indruk altijd gehad. Misschien omdat hij eruitzag als een herinnering: in zwart-wit dus, of liever grijs. Een vage verschijning, verdwijnend tegen de achtergrond, zonder contrasten, dus zonder schaduw, omdat hij zelf een schaduw geworden was, gehuld in de grijze dampslierten van zijn onafscheidelijke sigaret. Hij was rustig, onverstoorbaar zelfs, maar hij rookte alsof hij haast had. Terwijl hij al die tijd wist waar het heen ging.

En met die onverstoorbaarheid doorbrak hij het enig overgebleven taboe van deze tijd: niets meer willen, omdat het leven zwaarder is geworden dan de dood.