'Doorlaten van drugs trekt criminelen aan'

DEN HAAG, 22 MAART. Als de Tweede Kamer - tegen de wens van de commissie-Van Traa - instemt met het doorlaten van drugs als opsporingsmethode, bestaat het gevaar dat dit de aanwezigheid van internationale criminele groepen in Nederland stimuleert. Dit antwoordt de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden op schriftelijke vragen uit de Tweede Kamer. In haar vorige maand gepubliceerde eindrapport beveelt de commissie aan de methode van het doorlaten van drugs te verbieden. Uitzondering is een proefzending van enkele tientallen kilo's soft drugs.

Uit vragen van PvdA, CDA en D66 blijkt dat deze fracties ertoe neigen deze methode wel toe te staan. De commissie-Van Traa meent evenwel dat van de methode “mogelijk een aanzuigende werking op de internationale criminaliteit” uitgaat en wijst er bovendien op dat haar onderzoek heeft geleerd dat “politie en justitie nauwelijks controle kunnen uitoefenen op doorgelaten partijen”.

Ook de successen met het doorlaten van drugs van het zogenoemde CoPa-team van de Haagse politie - dat cocaïne-importen uit Colombia en Paramaribo onderzoekt - tonen naar het oordeel van de commissie-Van Traa onvoldoende aan dat 'doorlating' effectief is. Vertegenwoordigers van dat team verklaarden tijdens de verhoren dat doorlatingen van cocaïne hebben geleid tot 65 veroordelingen met aanzienlijke celstraffen. Van Traa stelt echter dat deze successen geen aantoonbaar verband hebben met het doorlaten van drugs. De commissie weerspreekt eveneens de kritiek van een van haar belangrijkste adviseurs, hoogleraar criminologie Fijnaut. Deze meent dat het doorlaten van drugs met hulp van criminele infiltranten noodzakelijk is om de allochtone criminaliteit te kunnen aanpakken. Politie-infiltranten zijn volgens Fijnaut niet geloofwaardig in allochtone criminele milieus. Volgens de commissie weegt hiertegen echter niet op dat criminele infiltranten onvoldoende stuurbaar en controleerbaar zijn.

De commissie-Van Traa beaamt op vragen van alle grote fracties dat ze zich geen volledig beeld heeft kunnen vormen van het werk van buitenlandse opsporingsdiensten in Nederland.