De vrouwelijke blik

DWB 1/96. De Bezige Bij, 144 blz. Prijs ƒ16,50. Lust & Gratie, winternummer, 115 blz. Prijs ƒ 15. Tel. 020-6894222.

Toen Renate Dorrestein, Caroline van Tuyll, Elly de Waard en Anja Meulenbelt tien jaar geleden de Anna Bijns-prijs instelden voor de 'vrouwelijke stem' in de literatuur, stak er een storm van verontwaardiging op.Inmiddels wordt de prijs zonder ophef te veroorzaken elke twee jaar toegekend, maar wat nu precies de 'vrouwelijke stem' inhoudt, kan nog steeds niemand uitleggen. Het is meer een kwestie van aanvoelen dan van analyseren, waarmee het voor de literaire kritiek wel een bruikbaar begrip is, maar voor de wetenschap niet. Een extra moeilijkheid is dat volgens degenen die de prijs hebben ingesteld ook uit het werk van een man een 'vrouwelijke stem' zou kunnen opklinken, hoewel de oeuvreprijs tot dusverre alleen aan schrijfsters is toegekend.

Het Vlaamse tijdschrift DWB, dat sinds kort door De Bezige Bij in Nederland wordt verspreid, wijdt nu een aflevering aan 'de vrouwelijke blik'. Hoofdredacteur Hugo Bousset belooft 'geen antwoorden'; ook hij weet niet precies wat er bedoeld wordt met 'de vrouwelijke blik'. Gastredactrice Leen Huet verzamelde uitspraken van schilderessen als Charlotte Salomon, Rosa Bonheur en Frida Kahlo waaruit verrassend weinig valt af te leiden over het onderwerp.

Nuttiger zijn de bijdragen van kunsthistorica Kathlijn van der Stighelen en literatuurhistorica M.A. Schenkeveld-van der Dussen, die werkt aan een grote en degelijke bloemlezing van vrouwelijke auteurs uit de periode 1500-1850. 'Hebben vrouwen een speciaal gevoelige blik?', vraagt ze zich af, en, met een dubbelzinnige formulering, 'waren in de achttiende eeuw ook mannen niet gevoelig?'

In de vroegste religieuze en wereldlijke literatuur van vrouwen valt niet of bijna niet aan te wijzen wattypisch vrouwelijk is. In De Gids wordt in 1840 in een romanrecensie voor het eerst gewag gemaakt van 'eenen vrouwelijken blik, eene vrouwelijke hand', die duidelijk herkenbaar zouden zijn.

Van der Stighelen laat aan de feministische literatuurwetenschap ontleende begrippen los op de schilderkunst. Met Elaine Showalter onderscheidt ze drie opeenvolgende fasen in geschilderde zelfportretten van vrouwen: imitatie van normen (feminine), protest (feminist) en tenslotte reflectie en zelfontdekking (female). Helaas is ze kort over de kunst van de twintigste eeuw, waarin driftig naar de eigen identiteit gezocht wordt. Ze signaleert wel een fase voorbij die van de 'female', namelijk een postmoderne waarin de eigen identiteit verknipt of opgegeven wordt.

De rest van het themanummer bestaat uit fictie en poëzie. Ook hier geen 'antwoorden', wel de aangename verrassing van de Zweedse dichteres Birgitta Lillpers (1958), in wier gedichten een prachtige, typisch Scandinavische somberheid heerst.

De Franse literatuurcritica en vertaalster Marthe Roberts deelt de literatuur niet in naar mannelijk of vrouwelijke kenmerken, maar naar de manier waarop met verbeelding, illusie of werkelijkheid wordt gespeeld. Jacq Vogelaar schreef een essay over haar, dat vreemd genoeg niet in zijn Raster maar in Lust & Gratie staat.

Vogelaar publiceerde evenals Roberts essaybundels over literatuur (Terugschrijven), maar is toch een beetje jaloers op haar vier Livres de lecture: 'De luxe van een reeks logboeken, waarin je in alle vrijheid over je dagelijkse lectuur kunt rapporteren, waarbij het oordeel minder van belang is dan het verslag en de demonstratie van een bepaalde manier van lezen, is alleen gepermitteerd in een literair klimaat waar schrijven en terugschrijven (reflecteren op wat er geschreven wordt) even vanzelfsprekend bij elkaar horen als in- en uitademen. In Nederland wordt zoiets algauw afgedaan als literatuur om de literatuur, als academisme of estheticisme, zo men de scheppende literatuur al niet in bescherming wil nemen tegen wat niet voor niets secundaire literatuur heet.'

In dit stuk, waarin forse citaten van Roberts zijn opgenomen, ligt de nadruk op de verhouding tussen Dichtung en Wahrheit, speciaal in het werk van Cervantes, Flaubert en Kafka. Volgens Vogelaar en Roberts speelt de roman een uiterst belangrijke rol in het leven. Roberts: het schrijven heeft 'het recht en de plicht mensen te verstrooien, te ontroeren, te onderrichten, het over het leven te hebben en het juist daardoor te veranderen'. Toch is zij zich bewust van de beperkingen van de literatuur, schitterend verwoord in deze zin over vluchten in boeken: 'Nauwelijks zet hij een stap buiten zijn vertrouwde hol of de hele wereld springt hem op z'n nek; hij merkt dan dat zijn verschansing in de literatuur hem helemaal geen dikkere huid bezorgd heeft, maar integendeel zijn huid nog dunner heeft gemaakt en niet gedeeltelijk gevoelloos zoals hij misschien hoopte, hij is gewoonweg van alle huid ontdaan'.