De paus gaf de beste performance van de eeuw

Tentoonstellingen: Endurance. De Veemvloer, Van Diemenstraat 410, Amsterdam. T/m 9 april. Wiener Aktionisten. Proton ICA, Rozenstraat 8, Amsterdam. T/m 13 april. Beide di t/m za 13-17u. Informatiemap ƒ 15,-.

De Nederlandse kunstenares Barbara Visser exposeerde een paar jaar geleden een foto van de bed in van John Lennon en Yoko Ono in het Amsterdamse Hilton hotel op 21 maart 1969. Op het eerste gezicht leek het een uit het niets voortkomende hommage, maar er zat een addertje onder het gras. Visser maakte de foto in Madame Tussaud's, waar Ono en Lennon als wassen beelden voor eeuwig hun performance uitvoeren. Vissers foto liet op niet mis te verstane wijze het failliet van de idealen van de flower power - make love not war - zien; ze waren geëindigd als onschadelijke toeristische attractie.

De foto is ook exemplarisch voor de status van de performance, een kunstvorm die in de jaren zestig en zeventig furore maakte maar begin jaren tachtig een achterhaald verschijnsel leek. Plotseling had het publiek genoeg van kunstenaars die hun eigen lichaam in de strijd wierpen - het beschilderden of verwondden, aan de muur hingen of voedsel onthielden. Ook veel kunstenaars lieten begin jaren tachtig hun lichaam weer wat het was en stelden in plaats van zichzelf objecten tentoon.

Nu is alles weer anders. Jonge kunstenaars maken performances of andere live acts en in hun kielzog ontstaat er belangstelling voor hun voorgangers. Een echte, documentaire foto van Ono en Lennon in het Hilton is nu te zien op de reizende expositie Endurance in De Veemvloer in Amsterdam, die performances en acties uit de jaren zestig en zeventig met foto's en teksten documenteert. Natuurlijk is er een foto van Chris Burden bij, de Amerikaanse kunstenaar die zich in 1971 in Venetië in zijn arm liet schieten, en van Joseph Beuys, die zich in 1974 in New York liet opsluiten met een coyote. Bij proton ICA, ook in Amsterdam, is documentatie te zien van de extreemste groep performancekunstenaars: de Wiener Aktionisten, die bij het publiek een katharsis probeerden teweeg te brengen door het uitvoeren van rituelen waarbij veel bloed en andere lichaamsvochten vloeide. Ten slotte is er een tentoonstelling bij Bureau Amsterdam die documenten en video's uit de jaren zestig en zeventig van grootheden als Abramovic & Ulay en Wim T. Schippers combineert met werk van jongeren als Lise Duclaux en Aernout Mik. Ook Barbara Visser en Yoko Ono zijn vertegenwoordigd.

De hedendaagse kunstenaars borduren niet voort op het werk uit de jaren zestig en zeventig; het lijkt er eerder op dat ze er pas interesse voor zijn gaan tonen nadat ze toevallig op hetzelfde punt waren beland. Er zijn dan ook veel verschillen tussen toen en nu, al was het maar dat de video nu veel belangrijker is, vaak is een 'performance' helemaal niet voor publiek gehouden.

Over die verschillen organiseerde proton ICA op 20 maart het symposium actie = reactie, dat begon met een kunsthistorisch overzicht van Elisabeth Jappe en eindigde met peptalk van oud-Fluxuskunstenaar Willem de Ridder, die het tonen van documenten van performances onzin bleek te vinden: “Het is alsof je een feest hebt gegeven en de volgende dag publiek uitnodigt om naar de volle asbakken te komen kijken.”

Hoogtepunt van de dag was het optreden van Marina Abramovic, performance-ster van het eerste uur, die aan haar zuivere, grimmige lichaamsonderzoek uit de jaren zeventig glamour en humor heeft toegevoegd. Twee uur lang onderhield zij het publiek met fragmenten uit video's die voor haar tot de hoogtepunten van de performancekunst behoren. Ze was zo ruimhartig niet alleen werk te tonen van kunstenaars die als performers bekend stonden, zoals Gilbert & George en Rebecca Horn, ze liet ook het laatste optreden van Elvis Presley zien en de manier waarop Maria Callas applaus in ontvangst nam. De 'beste performance van de eeuw' is volgens Abramovic een optreden van paus Johannes Paulus II in 1978 dat live op de Amerikaanse televisie werd uitgezonden. De paus krijgt het publiek niet stil; het blijft maar applaudisseren. Dan zegt hij opeens iets als 'moeeh', tot grote schrik van de aanwezige kardinalen maar tot plezier van het publiek. Acht minuten blijft de paus 'moeeh' zeggen, en hij weet ook waarom. “A charismatic moment”, fluistert hij. Door dit klankgedicht tot performance van de eeuw uit te roepen, wees Abramovic ook op de gevaarlijke kanten van het - ruim opgevatte - genre: wat de paus overkwam, werd door Hitler uitgebuit.

Abramovic, die zich een tijdlang tot het maken van objecten had bekeerd, lijkt daar nu weer van terug te komen. Zij toonde een stuk van een nieuwe performance, waarop ze een rauwe ui eet terwijl we haar horen klagen over haar leven: 'I am ashamed of my big nose, of my large ass, of the war in Joegoslavia'. De eenentwintigste eeuw moet volgens Abramovic een objectloze eeuw worden, een eeuw waarin mensen direct met elkaar kunnen communiceren. Daartoe wil ze het persoonsgebonden karakter van de performance opheffen - het zouden net als een stuk van Mozart partituren moeten worden die iedereen kan uitvoeren om de grenzen van zijn lichaam te verschuiven. Volgend jaar zal Abramovic in Londen het goede voorbeeld geven door beroemde performances van anderen uit te voeren, zoals Seedbed (1972) van Vito Acconci, waarin de kunstenaar, onzichtbaar maar wel hoorbaar voor het publiek, van 's ochtends tot 's avonds masturbeert.

Volgens kunstcriticus Mark Kremer is de performancekunst in de jaren zeventig aan haar eigen succes ten onder gegaan. Ze was gericht tegen de gevestigde orde, en toen ze zich door die orde liet subsidiëren verdween de angel eruit. Kremer wees ook op op het afnemen van het shockerend vermogen van een performance. Het ronddragen van met strepen beschilderde borden van Daniel Buren door Parijs kon in 1968 nog als een daad van verzet tegen de burgermaatschappij worden opgevat, nu lijkt het nog slechts 'een toevoeging van wat schoonheid aan de werkelijkheid'. Ook Jappe meende dat het publiek niet meer zo makkelijk te shockeren is, een stelling die overigens moeilijk te bewijzen valt.

Het grootste verschil tussen toen en nu lijkt te schuilen in de houding van de kunstenaars. Ze beschouwen zichzelf niet meer als sjamanen die het publiek laten zien wat dat zelf niet durft. Maar evenmin lijken ze erin te geloven dat iedereen een kunstenaar is, als hij zijn creativiteit maar de vrije loop laat. Veel hedendaagse kunstenaars laten eerder zien dat zij net zo zijn als ieder ander - net zo kwetsbaar, vrolijk, treurig en machteloos. Op die manier ontstaat er weer een symbiose tussen kunstenaar en publiek, maar niet omdat het publiek zich identificeert met de kunstenaar (diens pijn voelt, diens extase deelt), maar omdat de kunstenaar zich identificeert met het publiek.