De boze wereld wil Effenberg niet op schoot nemen

ROTTERDAM, 22 MAART. Stefan Effenberg houdt van zijn vrouw en kinderen. Je ziet ze weleens samen op een foto in een boulevardblad of op een tv-filmpje. Dan is Stefan een lieve, trotse vader. Hij praat graag over zijn eigen jeugd. Dat hij vaak kattekwaad uithaalde, hoe goed hij als jongetje al kon voetballen en hoe hij altijd de beste was. Dat hij altijd de bal had en dat hij die pas weggaf als hij het wilde. 'Effe', zoals hij werd genoemd, was de leider - vaak tot afgrijzen van zijn vriendjes.

Stefan had een hekel aan zijn vriendjes. Hij voelde zich boven hen verheven, ver boven die meelopers die leiderschap nodig hadden.

Stefan had een hekel aan mensen.

Hij verhief zich boven de kudde.

Stefan voelde zich beledigd als jongen, als mens. Ze scholden hem uit voor 'rooie', 'lange rooie', 'vieze rooie'. Enerzijds was het miskenning, maar anderzijds toch erkenning. Aan de ene kant behoorde hij niet tot de normale jongens, aan de andere kant was hij een uitzondering. Hij was anders, hij viel op, hij had wèl een eigen identiteit. Als ze riepen 'Kom op rooie!' voelde hij zich gestreeld en betekende de beledigende strijdkreet voor hem juist een aanmoediging.

Stefans uitzonderlijke uiterlijk had een uitwerking op zijn innerlijk.

Hij was anders en hij zou anders blijven. Hij werd een Einzelgänger, een jongen die in zijn eentje tegen de mensheid ten strijde trok. Eens een uitzondering, altijd een uitzondering. Eens beledigd, altijd beledigd.

Voor wie vanaf zijn jeugd al is beledigd, is beledigd worden een patroon geworden. Wat maakt het nou uit of je 'rooie' wordt genoemd door je vriendjes of 'klier' door een tv-verslaggever. Stefan heeft schijt aan de wereld, aan die grote, boze wereld die hem maar niet op haar schoot wil nemen.

Stefan kan ècht goed voetballen.

Heerlijk, zoals hij de bal beroert, zoals hij beweegt, zoals hij het overzicht bewaart, zoals hij kan versnellen, zoals hij de bal kan verplaatsen, zoals hij kan schieten en pingelen.

Dat maakt hem in het Duitse voetbal zo uitzonderlijk, dat maakte hem als speler van Borussia Mönchengladbach gisteren tegen Feyenoord zo uitzonderlijk. De enige in De Kuip aan wie je kon zien dat hij iets kan met een bal. Maar hij was ook de enige aan wie men zich ergerde. Zoals altijd werd hij weer verguisd waar hij aanbeden wilde worden.

Stefan voetbalde voor Borussia, voor Bayern, voor Fiorentina, weer voor Borussia, voor alle Duitse jeugdelftallen en voor het Duitse A-elftal. Overal werd hij aanbeden, maar vooral verguisd. Overal vertrok hij met ruzie. Toen hij tijdens een wedstrijd van het Duitse elftal op het wereldkampioenschap in de Verenigde Staten werd vervangen, stak hij zijn middelvinger op naar de Duitse supporters. Stefan werd naar huis gestuurd en tussen hem en bondscoach Vogts zou het nooit meer goed komen. Voor Stefan is dat geen probleem: wie hem verstoot wordt zijn vijand.

Stefan is nog steeds de straatvechter, een pubergeest in een lijf van 27 jaar oud, dat meent dat alleen strijd de mens op de been houdt. Wie hem vroeger op straat 'rooie' noemde, kon erop wachten dat hij de bal tussen de benen gespeeld zou krijgen of in noodgevallen een elleboog in het gelaat. Wie hem nu op zijn tenen gaat staan, kan er op rekenen dat hij wordt uitgedaagd tot een gevecht. Als hij het voetballend niet kan vereffenen, doet hij een beroep op zijn arsenaal aan provocaties. Stefan herkent het gevecht van de straat, hij heeft schijt aan de hele wereld. Als de mensen hem niet mogen, waarom zou hij dan de mensen mogen?

Stefan trof het gisteren niet met zijn tegenstander Schuiteman. Hij had de als voetballer in Duitsland opgegroeide verdediger nerveus willen maken, met zijn acties, met zijn loopvermogen, met zijn hoofd, met zijn lichamelijke en vooral met zijn verbale geweld. Stefan kon het niet winnen van de onverstoorbare Feyenoorder. En wie het als straatvechter niet voetballend wint, wendt junglemethoden aan. Vraag het Schuiteman, die met een gezwollen oog als winnaar het strijdtoneel verliet.

Stefan zou een winnaar moeten zijn. Maar hij is een verliezer. Voor de wedstrijd in Rotterdam voorspelde hij dat Borussia 99 procent kans had om te winnen. Hij gebruikte het prachtige Duitse woord überheblich. Men moest niet denken dat zijn kansenberekening 'aanmatigend' was. Het was zijn eigen zin voor realiteit. Ook na afloop was hij onverstoorbaar. Borussia had moeten winnen, zei hij. Dit resultaat gaf hem moed. Maar iedereen die het hoorde moet hebben gedacht: Effenberg is niet van deze wereld, hij is anders. En hij zal altijd anders blijven.