Boosdoener maatschappij

Het rebètiko-lied is apolitiek. Dat was ook de reden dat de communistische partijleiders er zo'n hekel aan hadden in de jaren dat zij in Griekenland nog een machtsfactor vormden. Tijdens en na de burgeroorlog 1946-1949 hebben de ideologische instructeurs van de partij, die de leden moesten 'leiden', alles gedaan om de rebètika, die 'negatieve uiting van het lompenproletariaat' eronder te krijgen, nadat de fascistische dictator Metaxas dat in zijn periode 1936-1941 ook al had nagestreefd. Alles tevergeefs - zelfs in de gevangenissen waarin na de burgeroorlog duizenden linksen waren samengepakt weerklonken de rebètika als troost en als samenbindende factor. En het reeds besproken lied van Tsitsanis 'Bewolkte Zondag, je lijkt op mijn hart' heeft, juist doordat het apolitiek was, ertoe bijgedragen dat rechts en links in de jaren vijftig weer wat samen konden doen (namelijk zingen). Pas Theodorakis, zelf communist, heeft in een veel later stadium de dogmatische leiders van zijn partij enigszins met het genre kunnen verzoenen.

Maar de politiek is in Griekenland zo belangrijk, dat de rebètika er niet geheel aan voorbij konden gaan. Zoals alle Grieken, waren ook rebètes in de politiek geïnteresseerd, en de meesten sympathiseerden met links. In het jaar 1936, toen de ene na de andere politicus overleed - hetgeen bijdroeg tot de uitroeping van de dictatuur in augustus - schreef de latere patriarch van de rebètes, Vamvakaris, een ironische zeïbèkiko waarin hij zichzelf als premier aanprijst: Allen die premier worden gaan dood/ het volk jaagt op hen voor al het goeds dat ze doen/ ik dien m'n kandidatuur in voor het eerste ministerschap/ zodat ik lui kan zitten eten en drinken/ en dat ik het parlement kan gelasten/ de waterpijp te roken en zich te bedwelmen.

Dit liedje wordt nog steeds gehoord. Maar een andere zeïbèkiko die Vamvakaris dat jaar schreef, en die de sterke mannen van zijn tijd aanroept - Hitler, Mussolini, Atatürk, Stalin, met een voorkeur voor de laatste - is in een la terechtgekomen en daar ook na Metaxas in gebleven. Pas vorig jaar is zij herontdekt en bij wijze van curiositeit ergens gezongen. Rebètika die uitgesproken het politieke pad op gaan zijn er wel geweest maar zij hebben de Grieken nooit gepakt. Dit ziet Nearchos Yoryadis over het hoofd, die in een studie 'Rebètiko en politiek' heeft trachten aan te tonen welk een belangrijke politieke rol deze liederen hebben gespeeld.

Het nogal lamlendige welkomstlied voor de in 1935 'teruggeroepen' koning George II, dat Panayotis Toundas kennelijk op bestelling schreef, maar ook het nationalistische 'Cyprus is Grieks' dat de legendarische zanger Kazantzidis in de jaren vijftig lanceerde - ze zijn totaal vergeten. Zelfs de rebètika uit de bezettingstijd 1941-1944 werden, doordat ze zich op zulke actuele onderwerpen richtten, daarna niet meer gehoord. Het was de grote, hedendaagse zanger Jórgos Daláras die ervoor zorgde dat er een lp kwam met liederen uit die tijd, de meeste afkomstig van de - nog levende, maar zieke - 'bezettings-rebètis Michális Jenítsaris, waaronder het schitterende lied op de 'Saltadóros', de 'springer' die Duitse vrachtauto's bespringt om er zaken af te gappen: Ik zal springen, ik zal springen/ en hun de reservetank afpakken/ ik kom altijd goed rond want ik spring/ op een Duitse truck en zorg dat ik niks tekort kom/ op benzine en petroleum hebben we het voorzien/ Springen en gooien maar die boel/ het is toeslaan en wegwezen/ de Duitsers jagen op ons maar we hebben lak aan ze/ en blijven springen tot we er het leven bij laten.

In de burgeroorlog die op de bezetting volgde werden de dingen minder simpel. Rebètika waarin partij werd gekozen voor één van beide zijden zijn niet verschenen.

Wie een links lied zou hebben willen schrijven zou met de censuur te maken hebben gekregen - of erger.

Toch kwam Tsitsanis in 1950 met een verrassend loflied op de 'trotse en onsterfelijke arbeiders' dat begint met een fabriekssirene! Mijn hypothese is, dat het wel verboden zou zijn geworden, als het meer succes had gekregen. Ook nu behoort het tot de minder gespeelde liederen van de componist - waarschijnlijk voelt men het als te 'expliciet'.

Het waren de succesvolle liederen waar de censuur bang voor was en waar ze zich tegen keerde. Ook al waren ze niet politiek bedoeld (Yoryadis denkt van wèl), ze kregen een politieke lading. Zo werd een lied van Tsitsanis over de liefde verboden, omdat tot 'geduld' werd opgewekt. Dat was verdacht. Een andere zeïbèkiko van hem die stormachtig succes had, werd uit de roulatie genomen omdat er van beide zijden verband werd gelegd met de arrestatiegolf die in 1947 over het land ging en vele moeders zuchtend achterliet: Een moeder zucht/ dag en nacht verkeert ze in onzekerheid/ wachtend op haar zoon/ die ze al jaren niet heeft gezien/ Terwijl zij wanhoopt/ vertelt iemand haar/ dat haar jongen leeft/ en zeker terug zal komen/ geduldig wacht ze/ met verlangen in haar hart/ tot haar kerel terug zal komen/ uit duistere verre streken.

Liederen op de armoede, en tegen de rijkdom, later ook op de emigratie, werden over het algemeen toegelaten. Het waren bepaalde sleutelwoorden, die door de censor 'marxistisch' werden geduid, die taboe waren. Eén zo'n woord was 'kinonía', maatschappij. Al onder Metaxas was 'kinoniología', sociologie, een verdachte wetenschap geweest, en dat bleef zij voor de censoren. Alles wat naar klassenstrijd zweemde moest worden gebannen.

In het laatste jaar van de burgeroorlog kwam de later naar Amerika vertrokken Kostas Kaplánis met het lied dat zijn bekendste zou worden: Een zwerver is gestorven/ op het plein in het park/ maar er was geen traan in enig oog/ noch brak er een hart/ ach, wie is de oorzaak?/ boosdoener maatschappij/ Vanwege een misstap/ vanwege laster/ haatten zijn vrienden hem/ en alle deuren sloten zich/ ach, wie is de oorzaak?/ boosdoener maatschappij / Een zwerver is gestorven/ gisteren, laat, bij het donker worden/ Charos heeft hem omarmd/ daar waar hij hem ontmoette/ op het plein in het park/ boosdoener maatschappij.

'Boosdoener maatschappij' moest worden veranderd in: 'Ach, waarom zoveel kwaadaardigheid?'

Pas de zangeres Sotiria Bellou zong het, twintig jaar later, weer met de oorspronkelijke tekst.