Begraven niet alleen in het zwart

Tentoonstelling: Midden in het leven staan wij in de dood. T/m 14 april in Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam. Di t/m vr 12-18u, za-zo 12-17u. Boek: ƒ 59,50.

De dood is een modieus thema. Aan de lopende band verschijnen er boeken over (de schoonheid van) begraafplaatsen, sinds een paar jaar is er het tijdschrift Doodgewoon en het beroep uitvaartondernemer mag zich in een groeiende belangstelling verheugen. Natuurlijk blijft ook de kunst niet achter. Inhakend op de eeuwenlange traditie in het ontwerpen van grafsculpturen en monumenten, noemen sommigen kunstenaars zich zelfs 'grafkunstenaar' en maken 'uitvaartkunst'.

Zulke kunst wordt de komende maand in de Amsterdamse sociëteit Arti et Amicitiae geëxposeerd. Ruim zestig kunstenaars uit verschillende disciplines bogen zich, al dan niet op verzoek van de samenstellers Harrie Heyink en Walter Carpay, over de vraag wat de kunst kan toevoegen aan het uitvaartritueel. Want aan die rituelen is behoefte, en dat verwondert niet.

Vooral crematoria zijn kille, lelijke oorden waar het slecht rouwen is, en ook het begraven gaat er vaak routineus aan toe. Het modernisme met zijn vergaande abstrahering heeft symboliek en ritueel te zeer uitgebannen, en jongere generaties vullen de lacune nu op.

Want met de postmoderne uitbundigheid is het tij gekeerd voor de dood. Dat blijkt ook uit de financiële steun van de grootste Nederlandse uitvaartverzekeraar, de AVVL, aan deze expositie. Die belangstelling komt voort uit een groeiende vraag van hun klanten naar een andere, meer persoonlijke plechtigheid. De tentoonstelling is (daarom) allereerst een staalkaart van mogelijkheden: er zijn lijkwaden te zien, allerlei soorten kisten, een prachtige lijkkoets (door Huub Kortekaas) die door de rouwenden zelf getrokken kan worden, er klinkt rouwmuziek en er zijn rouwhoeden, scenario's voor toespraken, urnen verzonken in het autodashboard of gemaakt van papier, gedenkstenen en ontwerpen voor begraafplaatsen en crematoria.

De meest duidelijke gebruiksvoorwerpen, waarbij je je niet hoeft af te vragen waar ze voor bedoeld zijn, komen het best tot hun recht. Diverse doodskisten bijvoorbeeld: beschilderd, kunstig opengewerkt (voor een overleden kind), in de vorm van een uitgeholde boomstam (Sarcophagus naturalis van Floris Bragger), of de komieke Zelfdraagkist van Frank Starik, bevestigd op een rugzak-frame.

Daarna wordt de expositie steeds rommeliger en volgepropter; naast de opstelling voor een rouwdiner vergezeld van een recept om de dode zelve op te peuzelen (à la in Peter Greenaway's film The cook, the thief, his wife and her lover) draait een video waarop wordt uitgelegd hoe je een lijk met hulp van explosieven kunt 'opruimen'. Er is een fopvinger op sterk water te zien, een tafel vol met levende fossielen, maquettes voor monumenten, een Overledene vertroetel karretje, een CD-rom met tips en adressen, kortom: te veel.

Juist die enorme hoeveelheid slaat het onderwerp dood en doet bijna vergeten dat het hier gaat om een serieus onderwerp - al mag dat best met enige humor benaderd worden. In de veelheid komen de echt doordachte ontwerpen (zoals het crematorium van Dirry de Bruin, met een 'tranenkamer', een meditatieruimte met vijvertje en een transparente oven) niet meer tot hun recht. Je zou er in gedachten verzonken bij willen staan, maar wordt afgeleid door het volgende object waarvan je je soms afvraagt waar het voor dient. Uitleg is vaak noodzakelijk, maar ontbreekt meestal.

Dan is het boek dat bij de expositie wordt uitgegeven, een beter medium. Naast mooie teksten over grafkunst en doodscultus geeft het achtergronden en overwegingen bij de ontwerpen. Het voegt werkelijk iets toe aan de recente discussies over veranderende uitvaartrituelen.

De expositie in Arti is thematisch interessant, maar in kunstzinnig opzicht van weinig belang. De toch allereerst functionele objecten worden te veel als zelfstandige kunstwerken gepresenteerd, en dat doet nu juist af aan hun waarde in dit verband. Dan had men kunstenaars beter de opdracht kunnen geven om een grafbeeld te maken: in dat geval was de nadruk terecht gelegd op stijl en inhoud. Fascinerend blijft het intussen wel, die doodscultus, ingegeven door hetzij het fin-de-siècle, hetzij door veel jonge (aids)sterfgevallen. De herleving van de doodscultus lijkt een logisch eindpunt van de obsessie met het lichaam die zich in maatschappij èn kunst zo hevig manifesteert.