Airbus als NV

DE EUROPESE vliegtuigindustrie verkeert in een crisis. Nederland weet daar alles van, met het einde van de vliegtuigbouw bij Fokker en het ontslag van ruim vijfduizend werknemers. Maar ook in andere Westeuropese landen kampt deze industrietak met grote moeilijkheden. Alleen in Groot-Brittannië, waar in de jaren tachtig British Aerospace onder premier Thatcher is losgemaakt van de overheid en stevig werd opgeschud, is sprake van een gezonde bedrijfsvoering.

De problemen doen zich zowel voor in de civiele als in de militaire vliegtuigindustrie. Bij DASA, de vliegtuigdivisie van Daimler Benz, heet het probleem dat na Fokker is overgebleven Dornier. In Frankrijk heeft de regering aangekondigd dat de militaire divisies van de vliegtuigbouwers Dassault en Aérospatiale moeten samengaan en inkrimpen. Dat levert spanningen op, zowel op het gebied van het management als wat betreft werkgelegenheid. Frankrijk loopt achter op zijn Europese bondgenoten bij de afslankingen in de defensie-industrie, terwijl het om andere redenen - de begrotingslat van de monetaire unie - haast moet maken met bezuinigingen. In dit licht moeten ook de plannen van Duitsland en Frankrijk voor integratie van hun defensie-industrieën, die begin dit jaar werden aangekondigd, geplaatst worden.

IN DE CIVIELE vliegtuigbouw bestaat in Europa al een kwart eeuw samenwerking tussen Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Spanje in het Airbus-project. Airbus is eigenlijk een lege huls, een verkoopkantoor van vliegtuigen die worden gebouwd door de deelnemende partners Aérospatiale, British Aerospace, DASA en het Spaanse CASA. Het is een unieke industriële samenwerking tussen twee staatsbedrijven en twee particuliere ondernemingen. Airbus heeft een commercieel succes, het heeft de Amerikaanse hegemonie op de vliegtuigmarkt doorbroken en is nu de op een na grootste vliegtuigbouwer ter wereld. Aanvankelijk ging dat met grote overheidssubsidies gepaard en hoewel deze steun in een Amerikaans-Europees akkoord (1993) aan banden is gelegd, is de financiële bedrijfsvoering van Airbus nog steeds ondoorzichtig.

Airbus Industrie is namelijk een 'Groupement d'Intérêt Economique' (GIE), een Franse juridische bedrijfsvorm waarbij geen gegevens openbaar gemaakt worden omdat winst en verlies worden doorberekend naar de deelnemende partners. Daarmee wordt ook de overheidssteun onzichtbaar gemaakt.

Voor de ontwikkeling van een nieuw jumbo-toestel, een vliegtuig voor 550 passagiers, heeft Airbus een beroep gedaan op de overheden van de deelnemende bedrijven. De Duitse regering heeft toekenning van steun (gesproken wordt over acht à negen miljard dollar) afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat Airbus zich als GIE niet langer onttrekt aan de openbaarheid van een normale particuliere onderneming. Omvorming van Airbus in een naamloze vennootschap is, volgens de Duitsers, de enige manier om op de lange duur de concurrentie met de machtige Amerikanen aan te kunnen. De Duitsers weten zich gesteund door de Britten, die al langer aandringen op een andere juridische structuur bij Airbus, maar ze weten ook dat de Fransen zich hiertegen krachtig verzetten.

DE EUROPESE vliegtuigindustrie krijgt hiermee een interessant perspectief. Als Frankrijk zich geplaatst ziet tegenover een verenigd Duits-Brits standpunt over grotere bedrijfseconomische transparantie bij Airbus, zal bij de Franse vliegtuigindustrie, de grootse verliesmaker in Airbus-verband, diep ingegrepen moeten worden. Tradities van staatssteun en nationale trots staan overal in de vliegtuigbouw onder druk.