Adviseur professor Rood: bestuur niet te handhaven

DEN HAAG, 22 MAART. Keihard en vernietigend is het rapport van de Leidse hoogleraar sociaal recht M. Rood over het bestuur van het CTSV, het College van Toezicht Sociale Verzekeringen. “De leden van het bestuur zijn in hun functie niet te handhaven”, is zijn eerste aanbeveling aan staatssecretaris R. Linschoten van Sociale Zaken.

Deze bewindsman had Rood, voormalig minister van Binnenlandse Zaken, aangetrokken als adviseur om hem de weg te wijzen uit de crisis waarin het CTSV verkeert. Het rapport van de hoogleraar werd gistermiddag openbaar gemaakt door toezending ervan aan de Tweede Kamer.

Roods conclusies laten geen ruimte voor twijfel. De drie bestuursleden, drie oud-politici, moeten weg. Dit zijn voormalig VVD-voorzitter D. van Leeuwen, ex-staatssecretaris M. van Rooijen (CDA) en het vroegere Tweede-Kamerlid voor de PvdA, G.J. van Otterloo.

Rood, zelf D66'er, schrijft “met ontsteltenis” kennis te hebben genomen van de “verlamming” van het CTSV als gevolg van “een meer dan een jaar voortslepende discussie over de verdeling van bevoegdheden tussen bestuur en directie”. Hij pleit de directie niet vrij, maar geeft de schuld van de crisis toch in hoofdzaak aan het bestuur.

“Het zittende bestuur heeft geen draagvlak om als zodanig te kunnen blijven functioneren. Het mist gezag, straalt wantrouwen uit en heeft in korte tijd kans gezien onwerkbare relaties te krijgen”, schrijft Rood. Het is volgens hem vooral aan de bestuursleden zelf te wijten dat het CTSV nu “bekend staat als een nest van conflicten”. De adviseur vervolgt: “Mogelijk is wel het ergste dat het bestuur de moeilijkheden niet ziet, dan wel uitsluitend aan anderen wijt”.

Behalve op diverse schriftelijke stukken baseert Rood zijn conclusies op 19 gesprekken met in totaal 25 gesprekspartners. Onder hen de drie bestuursleden, de vier directeuren, leden van de ondernemingsraad, vakbondsbestuurders, topambtenaren van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en vertegenwoordigers van de uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid, op wier werkzaamheden het CTSV toezicht moet houden. Rood heeft al zijn gesprekspartners in een bijlage bij het rapport bij naam genoemd, maar citeert hen louter anoniem.

Het CTSV is ingesteld om toezicht te houden op de uitvoering van de sociale verzekeringen, zoals de WAO, de WW en de AOW. Anders dan zijn voorganger, de Sociale Verzekeringsraad (SVR), doet het CTSV dit onafhankelijk van de sociale partners. De SVR werd in meerderheid bestuurd door vakbonden en werkgeversorganisaties. De oprichting van het CTSV, per 1 januari 1995, betekende in de woorden van Rood een “tweeledige systeembreuk”. Niet alleen kwam het toezichtsorgaan los te staan van de sociale partners, bovendien zou het worden bestuurd door drie bestuursleden met een volledig dienstverband.

Rood wijst er op dat van het begin af “een potentieel gevaar bestond voor een slechte relatie” tussen het CTSV en de instellingen die het moest controleren. De bedrijfsverenigingen dus - die nog altijd worden beheerd door de sociale partners - en hun uitvoeringsorganen. Het gevaar was dat het CTSV zich “zou manifesteren als een tegenstander, zoal niet een vijand” van de onder zijn toezicht staande instellingen.