Zoeken naar mevrouw Moenis

Antonia was dik en aardig, maar ze oogde een beetje sloom. Ze vroeg heel competent meteen om een mop en een stoomstrijkijzer en beweerde er in het geheel niet tegenop te zien om het parket in de was te zetten, een karweitje waar we zelf een reusachtige hekel aan hadden omdat het langdurig rondkruipen op de knieën noodzakelijk maakt.

Dat alles gaf vertrouwen en ik zei dat ze kon komen. Ze kwam. Ze zette het parket in de was - en tevens alle witte plinten waar de bruinige was met geen mogelijkheid meer af ging. Ze maakte het glas voor prenten en etsen schoon maar met zo'n kracht dat de muur aan beide zijden van zo'n ets grote krassen vertoonde. Ze streek beeldige vouwen met het nieuwe stoomstrijkijzer, messcherp - maar of ik nu werkelijk van die onverbiddelijke vouwen in de mouwen van mijn zijden bloesjes wilde? “Kun je wat voorzichtiger werken, Antonia?” vroeg ik. Ze maakte, ze was Portugese, nooit de indruk mijn Nederlands te verstaan.

Toen ik haar eens wees op de permanent geworden spinnewebben op de trap was ze boos. “U wil niet ik werk voor u” zei ze. Het probleem leek mij meer dat zij niet echt voor mij wilde werken. Een beetje zwieren met die mop en urenlang vouwen strijken in spijkerbroeken die daar geen enkele behoefte aan hadden, dat waren haar voornaamste bezigheden.

Antonia belichaamde daarmee alle problemen die men in een werkster kan tegenkomen: onbegrip tussen werkgeefster en werkneemster (zij beweerde dat die spinnenwebben kwamen nadat zij was vertrokken, ik beweerde dat spinnen en stof niet zó snel zijn), onvrede over de geleverde prestaties (wat ze deed deed ze wild en het meeste deed ze niet) en het probleem hoe van de ongewenst geworden werkster af te komen, waarna ook het oerprobleem weer de kop op zou steken: hoe vind je een geschikt iemand?

En met schrik herinnerde ik me het hele leger dat vroeger bij ons thuis was komen werksteren. De vrouw die wilde dat wij als gezin bevriend zouden raken met haar gezin en die om dat te bewerkstelligen af en toe haar zwijgende dochtertje mijn kamer inschoof, haar minieme hondje meebracht en ons voortdurend in prijzende bewoordingen haar interieur beschreef. Ze werd verjaagd door mijn jongere broertje dat een geërgerde opmerking van mijn moeder aan haar overbriefde, pijnlijk, maar tevens een opluchting, want hoewel ze goed werkte was haar aanwezigheid onverdraaglijk geworden.

De volgende zag diep bruin, nu zou je zeggen: zonnebank, maar misschien deed zij het nog wel gewoon met de hoogtezon. Of at ze wortelpilletjes. En wat doet het ertoe - maar het deed er wel toe want dat bruin stond vies wat het vertrouwen in haar schoonmaakkracht ondermijnde. Ze zwom wat onduidelijk door het huis en lijsde als wij kinderen tussen de middag thuiskwamen: “zal ik een eitje voor je bakken?” wat natuurlijk heel aardig was maar op een of andere manier waren die eitjes ook sloom en viezig en onaantrekkelijk. Omdat zij niet het hele huis aan kon op één dag, kwam er nog een ochtend een Engels meisje, dat urenlang boodschappen deed en alle truien zo waste en/of ophing dat in geeneen het oorspronkelijke model nog te herkennen was. Hoe die twee weer zijn verdwenen weet ik niet.

Er waren de Amsterdamse zusjes Sjaan en Rietje die uit gezelligheid samen werkten en het allergezelligste was het voor hen dus om in hetzelfde deel van het huis te werken wat erop neerkwam dat een van de twee de strijkplank in de gang zette en de ander niet al te lawaaiig de keuken sopte. Het was een groot huis, dus er ontstonden problemen.

Toen kwam de parel. Een vrouw van Marken, die niet veel zei, geen vrienden wilde worden, geen eieren wilde bakken, geen boodschappen wilde doen en geen koffie wilde drinken. Ze heette mevrouw Moenis en ze vertegenwoordigde alles wat je in een werkster kunt wensen. Ze poetste zoals men het nog maar zelden ziet, ze was schoner dan menigeen ooit mag hopen te worden, ze was daadkrachtig, betrouwbaar en ijverig. Het gezin ging tenonder maar mevrouw Moenis hield ons drijvend, jarenlang, totdat de in de huiskamer onttakelde motorfiets, die gevolgd werd door een daar oefenende popgroep haar te veel werd. Ze had gelijk.

Sindsdien ben ik altijd op zoek geweest naar een mevrouw Moenis. Iedereen is denk ik op zoek naar een mevrouw Moenis. Iemand met wie je niet ineens een onduidelijke ruzie krijgt over geld, die nooit afbelt (laat staan zonder bericht niet op komt dagen), aan wie je je hecht zonder dat dat aldoor hoeft te worden onderstreept en bevestigd, en vooral iemand die het huis zo schoon maakt dat je alles zonder aarzeling durft aan te pakken. Geen angst om de bank te verplaatsen: dat doet zij ook. Geen zorg over de keukenkastjes: zij weet dat die vettig worden. Rolt er eens iets in een rare hoek, dan tref je daar niet ineens een stofbol gevuld met muizenkeuteltjes aan. Niets plakt, niets kleeft, alles ruikt fris en is schoner dan je het zelf ooit zou kunnen krijgen.

Het enige nadeel van iemand die zo goed schoonmaakt, is een zekere vervreemding ten opzichte van het huis. Zelf kruipt men nooit meer over de grond om de plint onder de aanrechtkastjes te soppen, haalt geen halsbrekende toeren uit om toch met de stofzuiger achter de wasmachine te komen, neemt niet aandachtig alle richeltjes in het houtwerk af met een vochtige doek. Men leert, kortom, de hoekjes en gaatjes niet kennen. Het huis blijft een beetje een vreemde.

Daarom was het in zekere zin wel goed dat de twee Volendamse zusters die mijn huis nu al een paar jaar benijdenswaardig helder maken wegens omstandigheden geheel buiten hun schuld een half jaar niet konden komen. In dat halve jaar heb ik het huis intiemer leren kennen. De bevrediging van de zelf glanzend gewreven vloer weer gevoeld, van het van kalksteen ontdane bad, van de zekerheid dat de afzuigkap elke inspectie zou kunnen doorstaan. Zodat het nu weer extra fijn is om te merken hoe de twee onovertroffen tornado's wèl elke keer alle vier de trappen zuigen en niet laf na de bovenste twee al ophouden, hoe ze elke maand alle ramen lappen en niet na een lange aanloop alleen de meest zichtbare, hoe ze met enige regelmaat ook kastjes uitruimen, uitsoppen en ordelijk weer inruimen. En hoe bevredigend is het dan om te zien dat ze achter dat ene randje, waar je alleen maar achter kunt kijken door diep te buigen en dan je hoofd naar boven te draaien, niet komen. Maar dat ik dat randje ken en dat randje mij ook. Neuriënd sop ik het af. Het hele huis is schoon!