Waarom ik alles bewaar, of de zonde van het weggooien

Bij schoonmaken hoort ook het opruimen van kasten, kelders en zolders. Maar dat moet de allesbewaarder een gruwel zijn. De confessie van een kenner.

De eerste stap op de weg naar genezing, zegt men, is een openbare biecht. Welnu dan: ik heb een probleem met weggooien. Het is een veel voorkomende tic, eentje waarop Oliver Sacks zijn glans nog niet heeft laten afstralen. Vrienden maakten mij er voor het eerst op attent: jij kunt nooit wat wegdoen! Wie, ik? Ik heb mezelf altijd hoog aangeslagen als potentiële boeddhist, en nu is dat vleiende zelfbeeld aan scherven. In plaats daarvan moet er weer worden gewied in de ziel, dwanggedrag worden uitgeroeid, onderbewuste impulsen van hebzucht, onzekerheid, angst voor de dood.

Je ziet het niet aan mensen af, dacht ik. Het zou wel eens een van de laatste dingen kunnen zijn waar je achter komt bij iemand van wie je houdt. En merkwaardig genoeg hoeft het ook geen constante karaktertrek te zijn: ten minste vier keer heeft lieve Melinda zich ontdaan van vrijwel alles, een soort boulimie-anorexia-cyclus in bezitsdrang. Huizen verklappen zelf meestal niets, tenzij je stiekem in kasten of onder bedden kijkt, of een kamer inloopt waar kranten van 25 jaar als een doolhof liggen opgestapeld.

Bepaalde rites de passage zijn belangrijke momenten om onze spaar- en spuineigingen te evalueren. De dood van een beminde, bijvoorbeeld. Toen mijn moeder stierf, liet mijn vader me de dag na de begrafenis met mijn armen om de inhoud van haar garderobe gekneld, naar de stortkoker lopen: nu of nooit. De klerenkast van Hettie hangt veertien jaar na haar moeders verscheiden nog vol met haar jurken - die zijzelf voor geen goud ooit zou dragen. Ook trouwen kan zo'n keerpunt zijn. Wat doe je met de dingen waar je er twee van hebt - als je ten minste echt in de verbintenis gelooft? Maar dan nog: hoe voorkom je dat je de gijzelaar wordt van je cadeaus? De stelregel van een bevriend echtpaar luidde zo: als een huwelijksgeschenk een van beiden niet aanstond, werd het geruild, en vonden ze het allebei lelijk, dan werd het stukgesmeten!

En als de kinderen het huis uit gaan. Maar teddyberen kun je niet lozen, dat lukt je nooit.

Ook bij scheiding - verhuizing naar bejaardentehuis of gevangeniscel, of bij een andere beknotting van de beschikbare leefruimte, doemt de kwestie op: meeslepen of niet meeslepen? Maar zelfs als bergruimte schaars is, blijft er een weg waar een wil is. We kennen allemaal wel iemand die ons om een kleine gunst heeft gevraagd: en zo bevindt zich een kist hier, een baal daar, zijn je bezittingen verspreid als stippellijntjes in een tekenpuzzel.

Wat helpt tegen weggooiangst, is het uitspreken van de motieven waarmee we ons behoudend gedrag rechtvaardigen. Ik Haat Verspilling! Het gaat me nu niet om het schoonlikken van borden, hoewel ik nog altijd krimp van geïnternaliseerd ouderlijk misnoegen wanneer ik voedsel weggooi - hoe beschimmeld of versteend ook. Nee, de verspilling waarvan ik soms wakker lig, heeft te maken met de triomf van het kapitalisme en zijn inherente strategie van het Ingebouwde Afdanken. Niet langer op slijtvastheid gemaakte spijkerbroeken, ijskasten, naaimachines. Nergens verkrijgbare reserve-onderdelen. Wegwerpartikelen - van luiers tot camera's. Om nog te zwijgen over de Moeder van alle Ingebouwde Afdankers: de computer. De sleuteltekst uit mijn verleden is op dit punt misschien wel Majoor Barbara van G.B. Shaw, waar Baas Mangon de schoonheid van de munitiefabricage uitlegt: het gebruik ervan schept vraag naar meer.

Dan zijn er dingen die nog eens van pas kunnen komen - zo niet voor onszelf dan voor een kennis of desnoods een vreemde. Na de oorlog had de moeder van Iman altijd een grote pot groene zeep in voorraad en niemand die dat wist, achtte haar er minder om. In het diepst van je hart weet je misschien dat je nooit meer die tent zult opzetten of die vouwstoel zult repareren of een hond zult nemen die op dat rubberbot knauwt. Maar het zou eeuwig zonde zijn om ze niet meer aan iemand te kunnen geven die er echt wat aan heeft.

Welnu, als dat het enige is, dan kun je in Amsterdam iets op de stoeprand zetten en voordat je je hebt omgedraaid is het weg. Maar het lijkt wel alsof er in mijn leven een wet geldt die bepaalt dat een bus waarop ik niet langer wil wachten, eraankomt zodra ik de halte verlaat: ik breng de moed op om een ondersteek weg te doen, ik loop de trappen op naar boven en er wordt gebeld door iemand die zo'n ding dringend nodig heeft.

Onloochenbaar verbonden met de praktische drang, is echter de droom van ontzaglijke winst. Hebt u nooit vol ontzag in de etalage van het winkeltje om de hoek staan staren waar de prijsjes op de broodroosters, buiglampen of suikerpotten uit de jaren '50 u de adem benemen? Inwendig kreunt u om het fortuin dat u hebt weggegooid: rommelrupsen die zich na verloop van jaren hebben ontpopt als schatvlinders. Terwijl u, aan de andere kant, die spullen eigenlijk vreselijk vindt en medelijden krijgt met de generatie die die ondingen tegen woekerprijzen in huis haalt.

Het behoud van bepaalde bezittingen om hun sentimentele waarde, wordt weer door een ander deel van de hersenen gedicteerd. Dit krijgt soms een sociaal-culturele dimensie - schaatsen die je onder je schoenen bond, grammofoonplaten, houten tennisrackets, kolenkachels, handschrijfmachines. In deze categorie horen de trofeeën, en prijzen en sporttenues. En foto's: duizenden hopeloze foto's. En dan zijn er de bezittingen die ik meer beschouw als geheugensteuntjes. Liefdesbrieven, diploma's, paspoorten, kranteknipsels die worden opgespaard voor de regenachtige zondagnamiddag die maar nooit komt. Ze zijn als pillen tegen geheugenverlies. Jaren geleden hoorde ik hoe iemand onze geest vergelijkt met een zolder vol met de dingen die we geleerd hebben; op zeker moment kan er niets nieuws meer bij tenzij we er ruimte voor maken. Een strijkplank aan de straat zetten, dat is nog te doen. Maar hoe bereik je het mentale equivalent daarvan? Misschien dat opschrijven helpt.

Weg met de rommel! Maar hoe? In Amerika is er een soort beweging van vrijwillige eenvoud op gang gekomen. Een levensstijl die erop gericht is ons te redden van het consumentisme, een filosofie die het verwerven de rug toekeert: weg auto's, boten, creditcards, mode, elektronica, weg met de tredmolen. Soms breng ik mezelf in slaap door me voor te stellen wat ik zou doen als er brand zou uitbreken. Wat zou u redden als u kon? Denkt u dat u zou kunnen leven met het geredde minimum? Helpt het als u weet dat de bliksem per dag tien miljoen keer op onze planeet inslaat, en zo per dag een miljoen branden sticht?

Zou een fantasievolle publiciteitscampagne ons behoudzuchtigen kunnen helpen? Maar dan zouden de reclamemedia zichzelf de keel afsnijden. En ik vrees dat het equivalent van de pro-rook-lobby ons binnen de korste keren met suikerzoete affiches zou opdringen er samen over te praten.