Waar is de De Grote Schoonmaak gebleven; Alles fris en nieuw

De 'lentekriebels' bestaan nog steeds. Met het langer en zonniger worden van de dagen wordt de drang groter iets aan het huis te doen. Moet de muur in de gang niet gewit worden, zijn de kasten niet te stoffig voor woorden?

De Huishoudbeurs duurt nog t/m 24 mrt. Openingstijden: vr 10-17u en 19-22u, za en zo 10-17u. Rai Amsterdam. Inl Infolijn Huishoudbeurs 020-5043000.

De Grote Schoonmaak, komt die eigenlijk nog wel voor? De 'Schoonmaak' zoals H.J.A. Hofland die eens beeldend beschreef in een gelijknamig stuk? “Als ik om een uur of half één terugkwam (uit school), was het huis onherkenbaar geworden. De meubels stonden samengedromd op de onbedekte vloeren, uit de tuin klonk nog altijd het zware staccato van de mattekloppers, overal stonden de ramen open, beddegoed hing als ingewanden naar buiten en hoog boven alles uit gierde de stofzuiger.”

Een gevecht tegen het Rijk van het Kwaad, vervolgt Hofland: “- het hele huis werd overhoop gehaald, van de nok tot de kelder, de inhoud van alle kasten en laden werd gepoetst of gewassen, alle planken kregen vers kastpapier en nieuwe kastrandjes en de wc-brillen werden gepolitoerd. De eerste dagen was de atmosfeer verstikt door het opgejaagde stof, tegen het midden van de week begonnen de geuren van zeep en vim te overheersen en ten slotte roken we voornamelijk boenwas. Dan wisten we dat de vijand bijna verslagen was.”

Is dat een beeld dat mensen van nu niet meer kennen? Zijn wij als volk langzaam aan het vervuilen, zichtbaar buitenshuis en onzichtbaar binnenskamers? Een bezoek aan de Huishoudbeurs in de Amsterdamse Rai brengt hopelijk uitkomst.

De vrouwen in hun Spakenburgse dracht reageren verwonderd op mijn vraag. Natuurlijk doen ze aan de grote schoonmaak, zoals ieder jaar voor Pasen; dit jaar gebeurde het alleen iets later vanwege de aanhoudende kou. Zes dagen? Weken zijn ze er mee bezig geweest, ieder hoekje op zolder en in de kelder is uitgeboend, nu een nieuw behangetje, volgend jaar is het alleen witten. “Nu het huis schoon is, kunnen we een dagje uit hè!” Iedereen 'op het dorp' doet het zo, zeggen ze. Hoewel de huidige generatie misschien toch iets gemakkelijker is geworden. “Mijn dochter van 25 is niet meer zo precies als ik. Er is nu overal centrale verwarming, hè.”

Op de stand van HG-schoonmaakmiddelen wordt er geadverteerd met het 'Lentegevoel'. Sinds de folder verspreid is, vol aanprijzingen voor middelen voor alles wat menselijkerwijs kan worden schoongemaakt, zou er “een enorme piek” in de verkoop te zien zijn. De vertegenwoordiger: “De reacties komen uit het hele land. De grote schoonmaak komt alleen niet meer voor in de grote steden. Dat komt - maar ik wil niet discrimineren hoor - door al die buitenlanders. Die kennen dat niet zo als wij.”

Bij de firma Alabastine uiten de vertegenwoordigers zich wat genuanceerder. Van een algemene Grote Schoonmaak is volgens hen geen sprake meer. “Het is nu het hele jaar door.” Met uitzondering dan van Groningen, Friesland en Limburg, waar zich duidelijke verkooppieken voordoen in voor- en najaar. En langs de rand van het IJsselmeer. Maar volgens een huisvrouw uit Den Hout hoort Noord-Brabant er ook bij. Al zijn het vooral de boeren, waarbij je de matrassen uit de ramen ziet hangen. “Zelf heb ik een werkster”, zegt ze. “Ik doe niks.”

Een gedeeltelijke teloorgang van het instituut, met dat beeld verlaat ik de Huishoudbeurs. De lentekriebels lijken zich evenzeer te uiten in de drang tot het aanschaffen van nieuwe meubels en frutsels voor het huis. Alles fris en nieuw - Grote Schoonmaak of niet - dat is wat ons lente-instinct ons ingeeft en waar de Huishoudbeurs ideeën voor levert.

“Er is geen grote schoonmaak meer, omdat er geen huishoudelijk personeel meer is”, meent mijn moeder. “Door de vrouwenemancipatie”, zegt een collega. Het is onmiskenbaar: vrouwen werken buitenshuis. “Het huishouden wordt niet meer gezien als een Vak”, zegt een derde, “een vak dat je kunt leren.” Of het moest het vak 'verzorging' zijn, dat enkele jaren geleden aan de basisvorming werd toegevoegd en waarvan de kerndoelen beogen kinderen lichaamsverzorging te leren, leren schoon te maken, om te gaan met geld, hun kleren te wassen en veilig te vrijen, een leerpakket waarvoor honderden leraren biologie zouden worden omgeschoold.

Dit 'vijftiende vak' van de basiscursus is echter niet te vergelijken met de vroegere huishoudschooI en de lesboekjes niet met vakliteratuur zoals 'De Practische huisvrouw' was, een boekje vol handigheden en tips om het huishouden moeiteloos te regelen, van de vroege morgen tot na het avondmaal en waarin de 'Groote kamerbeurt' een belangrijke plaats inneemt.

Leert een kind nu op school nog dat hij glaswerk eerst in lauw zeepsop moet afwassen, met warmer water moet naspoelen en “dadelijk moet afdrogen met een daarvoor bestemden niet pluizigen doek?” Maar wat zou hij zich daarom drukmaken? De afwasmachine levert toch zeker moeiteloos de glanzendste aller vaten af? Leert hij peper in hoekjes van kasten te strooien (tegen motten)? Weet hij dat terpentijn in de kleerkast tegen muizen helpt? En de moeders, hebben die nog een echte schrobber in huis (in plaats van een mop)? Poetsen die de traproeden, zoals de Practische Huisvrouw het leert? Of doen hun werksters dat?

De goeden niet te na gesproken, zijn veel werksters geen vakvrouwen. Vaak doen zij elke week zo'n beetje hetzelfde, en de kasten en kastjes vallen daar meestal buiten. Omdat ze er moeilijk bijkunnen, of omdat het uitruimen, soppen en weer opbergen teveel veel tijd kost. Dan maar liever alleen dat schoonmaken waar op het oog meer eer aan is te behalen. “Met een zeemlap”, vertelt een vriendin. “Daar neemt ze alles mee af, richels, randjes en schoorsteenmantels. Na een paar keer is die vettig en totaal ongeschikt voor het ramenlappen. Vroeger zou een huisvrouw dat toch niet in haar hoofd halen? Ik denk dat een echte ouderwetse Grote Schoonmaak in veel huizen niet helemaal overbodig zou zijn.”

Begin dit jaar wees Dr. Johannes Oosterom, micro-bioloog en bijzonder hoogleraar Huishoudhygiëne aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen, er in zijn inaugurele rede op dat “het belang van hygiëne in onze maatschappij nog te veel over het hoofd wordt gezien en veronachtzaamd.” Huishoudhygiëne is een nieuw onderdeel van de vakgroep huishoudstudies, waar men zich verder bezighoudt met de sociologische, economische en technische aspecten van het huishouden, dat wordt gezien “als elke zelfstandige groep die samenwoont, maar ook de zelfstandige alleenstaande. Er vallen gezinnen onder, verzorgingshuizen, verpleeghuizen, bedrijfsrestaurants en crèches. Ziekenhuizen niet, vanwege de zeer specifieke eisen die organisatie en hygiëne stellen.” Oosterom mag zijn leeropdracht min of meer zelf bepalen, maar de kern is het bestuderen van de dagelijkse zorg en routine in al deze soorten huishoudens.

In zijn oratie repte hij van alom-tegenwoordige, goede en kwade, micro-organismen en hield hij een pleidooi om het volk - door educatie en voorlichting - hygiëne-bewuster te maken. In zijn werkkamer van Gist-Brocades in Delft blijkt hij zich om de toename van vuil en stof niet heel erg te bekommeren. Hij gelooft niet dat de moderne huisvrouw veel nonchalanter is dan vroeger. Voorzichting formulerend, want wetenschappelijk onderzoek heeft hij er niet naar gedaan, zegt Oosterom: “Er is nu veel betere apparatuur dan vroeger. Grote bevolkingsgroepen hadden vlak na de oorlog geen stofzuiger.” Stof afnemen met een doekje of een plumeau betekende slechts dat het stof werd verplaatst. “Denk eens aan zo'n echt ouderwets interieur met al zijn gordijnen, kleedjes, antimacassars en frutsels. In moderne huizen en kamers kun je overal makkelijker bij, dat is veel beter schoon te maken. Er zijn veel tegelvloeren of parket. En metalen meubelen.”

Vroeger was de kolenkachel een bron van stof en roet. En koken op petroleum. Centrale verwarming was alleen weggelegd voor de welgestelden. Wasmachines waren er mondjesmaat en in de meeste huishoudens ontbrak een bad of douche. “Je liep een week in hetzelfde hemd”, zegt Oosterom. “Een trui werd haast nooit gewassen.” In de buurt waar hij opgroeide, in Rotterdam, kwam het na de oorlog nog voor dat de huisvrouwen warm water bij de waterstoker haalden, die ze dan met veel moeite de trappen op sjouwden. Ook de ijskast kwam niet algemeen voor. Voor vleeswaren moest je elke dag naar de kruidenier; geen sprake van dat je die voor twee weken tegelijk insloeg. Dat bedierf maar.

Van stof op zich word je niet ziek, en ook niet van motten”, zegt Oosterom. Van voedselinfecties daarentegen wel; 80 tot 85 procent van alle infecties die je thuis kunt oplopen, komen in de keuken tot stand. Buikpijn, diarree, misselijkheid, per jaar hebben twee miljoen mensen in ons land er min of meer last van. “In de meeste gevallen is de aandoening zo mild, dat je er niet mee naar de huisarts gaat.” Dat geldt dan meestal voor gezonde volwassenen, met voldoende weerstand. “Aan de uiteinden van het leven vallen de klappen”, zegt Oosterom. Yopi's worden ze genoemd, de young, old, pregnant en immunodeficient - kankerpatiënten bijvoorbeeld die bestraald worden of alcoholisten. “Vandaar dat het kan voorkomen dat ouden van dagen in verzorgingshuizen met velen tegelijk aan een voedselinfectie ten onder gaan. “Huishoudelijke hygiëne is voor die groepen heel belangrijk.”

En dan vooral de behandeling van vlees in de keuken. “Daarmee haal je de bacteriën binnen, door er ondeskundig mee om te gaan”, zegt Oosterom. Stel bijvoorbeeld dat je ballen kneedt van gehakt waarin de bacteriën zich al aan het vermeerderen zijn. Als je vervolgens met ongewassen handen de groenten aanraakt, de kaas, het brood of de vleeswaren - alles kortom wat niet wordt verhit voor het eten - verspreidt de bacterie zich in een ommezien. Zeker als je dan ook nog het aanrecht of de tafel afveegt met het beruchte vochtige huishouddoekje.

En vermenigvuldigen kunnen zij zich, bacteriën, en wel zéér snel. Oosterom is jarenlang microbioloog geweest zonder dat er een microscoop aan te pas hoefde te komen. Met het blote oog was de explosie op zijn plaatjes waar te nemen. In zijn oratie stelt hij dat bij een delingstijd van twintig minuten één bacterie in zes uur is uitgegroeid tot meer dan 260.000 exemplaren, wat de opbrengst van een halve dag op ruim 68 miljard bacteriën brengt.

De bekende reclame van enige jaren geleden die beloofde 99 procent van de huishoudbacterieën te doden, deugde dan ook absoluut niet. “Als je tien miljoen bacterieën rekent per millimeter, dan houd je er honderdduizend over. Na drie uur is dat dus weer aangevuld.” Duizelingwekkende getallen, maar gelukkig kan Oosterom die relativeren: “Nul bestaat niet.” En hij noemt de norm die in ziekenhuizen geldt, waar maximaal één op de miljoen injectienaalden vuil mag zijn: dat is 99,9999 procent, en volstekt onhaalbaar in de particuliere keuken.

Oosterom pleit ervoor om de keuken (en de ijskast, waar de bacterie Listeria kans ziet bij lage temperaturen te gedijen) eens in de week of twee weken goed te reinigen en nog liever te desinfecteren, zeker als je de zorg voor een yopi hebt. Maar een goed huishoudelijk desinfectiemiddel moet nog worden toegelaten tot de markt.

En zo, concludeer ik, blijkt het met de vervuiling binnenshuis toch wel mee te vallen, al komt de grote schoonmaak niet meer overal voor. Na afloop van het gesprek stap ik, getroffen door iets voorjaarsachtigs in de lucht, een winkel binnen om een bloesje te kopen. “Doet u nog aan de grote schoonmaak?” vraag ik de verkoopster. “Nee”, zegt ze. “Ik maak elke maand één vertrek in het huis heel goed schoon. Dat zullen de hormonen wel zijn.”