Voor Londen is verhouding van pond tot dollar even belangrijk als die tot de euro; EMU leidt tot verschuiving van macht

De invoering van de euro, de gemeenschappelijke munt in het kader van de Europese Monetaire Unie, leidt tot een splitsing tussen landen die meedoen en landen die dat niet willen of mogen. Groot-Britannië maakt zich zorgen over zijn positie. Leidt de EMU tot een Groep van Drie - Verenigde Staten, Japan en EMU-landen - en verdwijnt het Verenigd Koninkrijk dan van het hoogste internationale toneel?

Het Europese Monetaire Instituut in Frankfurt is volop bezig met de voorbereidingen voor de voltooiing van Europese Economische en Monetaire Unie (EMU ). In Duitsland, Frankrijk en de Beneluxlanden, de lidstaten die tot de muntunie-leden van het eerste uur zullen behoren, bereiden nationale comité's het publiek voor op de euromunt. Binnen de harde kern van Europa heerst noeste bedrijvigheid.

Maar buiten rommelt het. Met een mengeling van afkeuring en ongerustheid bekijken de toekomstige Europese buitenstaanders de muntunie. Per 1999 - als de muntunie volgens plan van start gaat - valt de Europese Unie uiteen in drie groepen, en die driedeling tekent zich, naarmate die datum dichterbij komt, steeds scherper af. Allereerst is er de groep die de sprong maakt naar nog vollediger integratie door de munten, en daarmee het monetaire beleid, samen te smelten tot een supranationaal geheel. Dat zijn Duitsland, Frankrijk, de Benelux-landen en misschien ook Oostenrijk en Ierland.

Daarnaast, of geografisch gezien grotendeels daarboven, is de groep die mee kan doen, maar niet wil. Groot-Brittannië en Denemarken beschikken over een uitzonderingsclausule met betrekking tot het verdrag van Maastricht waar de muntunie is vastgelegd, en zijn daarmee gevrijwaard van de verplichting in de monetaire unie op te gaan. Ook in Finland en Zweden is de publieke steun voor de muntunie ruim onvoldoende.

De derde groep bestaat uit de landen die dolgraag mee willen doen, maar niet kunnen. Italië, Griekenland, Portugal en Spanje mogen niet rekenen op een toegangsbewijs. De kans dat zij in 1997 zullen voldoen aan de financiële toetredingseisen voor begroting, staatsschuld, rente en inflatie, die in 'Maastricht' zijn vastgelegd, is zeer klein.

Langs de lijnen van de toekomstige driedeling loopt ook de discussie over de voor- en nadelen van de muntunie. Die discussie wordt voor een belangrijk deel in economische jargon gevoerd, maar gaat daar al lang niet meer over. Voor- en nadelen zijn nauwelijks te kwantificeren, en beetje vaardig econoom weet voor alle kampen argumenten genoegd.

Tegenover de voordelen van wegvallende valuta-transactiekosten staan dure investeringen. Tegenover een grotere economische dynamiek staat de vraag of achterblijvende regio's, beroofd van de mogelijkheid de valutakoers aan te passen, een grote stroom van regionale steunbedragen zullen gaan vergen. En de grootste vraag is of er met de invoering van een EMU-van-de-harde kern wel echt iets verandert.

Het economisch voordeel dat de muntunie met zich meebrengt is zeer betrekkelijk, zo concludeerden zowel Unilever-strateeg Anthony Romeo als voorzitter Adair Turner van de Confederation of British Industry (CBI ) als Siemens-bestuurder Heinz-Joachim Neubürger vorige week op een conferentie van het Britse Royal Institute for International Affairs in Londen. De Europese Unie gaat voor bedrijven vooral over de gemeenschappelijke markt, en niet zozeer over een gemeenschappelijke munt. De wisselkoersfluctuaties die de laatste jaren de economische groei dwarszaten, zijn met name opgetreden tussen de groep van landen met munten die straks toch al in de EMU terecht komen en de groep van munten daarbuiten, zodat met de muntunie in eerste instantie weinig wordt opgelost.

Na een half jaar van twijfel of de economische vertraging het de harde kern van Europa toe zal staan tijdig met de muntunie te beginnen, verlegt de EMU-problematiek zich dan ook langzamerhand naar de grootste onopgeloste vraag: als de EMU er komt, hoe gaat de verhouding tussen de 'ins' en de 'outs' er straks dan uit zien?

Over de verhouding tussen de EMU-kern en de munten van de overige lidstaten tekent zich een voorzichtige consensus af onder de centrale bankiers, maar nog niet onder politici. Het idee, zoals twee maanden terug al verwoord door president Wim Duisenberg van de Nederlandsche Bank, is om een nieuw Europees Monetair Stelsel (EMS ) op te zetten tussen de euro en de overige munten.

Dat stelsel moet, net als nu, beginnen met een bandbreedte van 15 procent naar boven en beneden, waarmee de munten tegen de euro mogen fluctueren rond een vastgestelde spilkoers. Naarmate een lidstaat dichterbij toetreding tot de EMU komt, kan die bandbreedte informeel worden vernauwd, totdat de munt daadwerkelijk in de euro opgaat. Zo'n systeem werkt echter alleen wanneer noodzakelijke tussentijdse devaluaties van tijd tot tijd ook echt worden dooorgevoerd. Een nog niet opgelost probleem is hoe te voorkomen dat, net als in de jaren voor de valutacrises in 1992 en 1993, devaluaties zo politiek gevoelig worden dat ze niet worden toegepast, terwijl dat wel noodzakelijk is. Een oplossing die wordt besproken is het introduceren van een systeem van 'reële' wisselkoersen. Een verschil in prijs- of looninflatie werkt vroeg of laat door in de wisselkoersverhouding tussen twee munten. De munt met de meeste inflatie wordt over de tijd minder waard. Een stelsel van reële (voor inflatie gecorrigeerde) koersen houdt daar rekening mee, door van tijd tot tijd wijzigingen van de spilkoersen automatisch toe te passen aan de hand van opgetreden inflatieverschillen.

Het EMS-nieuwe stijl dient twee belangen: de muntunie-landen wapenen er zich mee tegen een al te drieste waardedaling van de buiten-munten. De buitenstaanders zelf lenen door de koppeling een beetje van de geloofwaardigheid van de harde 'euro', hetgeen zich kan vertalen in een lagere rente. Maar daar houdt de overeenkomst voorlopig op. De muntunie-landen lijken voorlopig niet van zins om de Europese Centrale Bank met steunaankopen te laten opdraven wanneer een buitenmunt door de valutamarkt uit zijn bandbreedte dreigt te worden gespeculeerd. Dat moet de verantwoordelijkheid worden van de centrale bank van de buitenmunt zelf.

Maar de zuidelijke landen, en dan vooral Italië, zijn juist bang om straks zonder steun van het centrum in een spiraal van devaluatie, inflatie, hoge rente en stijgende begrotingstekorten terecht te komen. En dan zullen zij nooit kunnen voldoen aan de toetredingseisen voor de muntunie. Onderzoeksdirecteur Giampaolo Galli van het Italiaanse ondernemingsverbond Confindustria rekende voor dat wanneer Italië op dit moment het rentepeil van België zou hebben, de rente op de torenhoge staatsschuld zo zou afnemen dat Italië wellicht nog in 1997 aan de toetredingseisen zou kunnen voldoen. Die verongelijktheid is vanuit Italiaans perspectief niet geheel onterecht. Het Britse weekblad The Economist vergeleek de muntunie vorig jaar al treffend met een afslankclub waarvoor je al broodmager moet zijn om door de ballotage heen te komen. Begin deze week werd bekend dat Franse druk om de lire weer in het Europese wisselkoersstelsel op te laten nemen, heeft geleid tot Italiaanse irritaties: geen terugkeer zonder duidelijke steungaranties, luidde de boodschap.

Europees Commissaris Sir Leon Brittan vindt een EMS-variant voor de toekomstige verhouding tussen 'ins' en 'outs' geen goed idee. Hij verwoordt daarmee niet alleen de instinctieve terughoudendheid van het Britse politieke en financiële establishment ten opzichte van structuren die de vrije werking van de markt verstoren, maar raakt ook aan de unieke positie die aan het pond Sterling wordt toegekend. In Groot-Brittannië is de verhouding van het pond tot de Amerikaanse dollar even belangrijk als de verhouding tot de continentaal-Europese munten.

Het belangrijkste struikelblok in de verhouding tussen de 'ins' en de 'outs' gaat evenwel niet over techniek, maar over politieke invloed en status. Dat geldt voor binnen de EU , waar het nieuwe monetaire blok een heel veld van besluitvorming op financieel en monetair gebied kan gaan domineren. Volgende week begint in Turijn de Intergouvernementele Conferentie. De lidstaten van de Europese Unie zullen zich een jaar lang buigen over de interne structuur van de Unie, de besluitvorming en nieuwe gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van defensie en buitenlands beleid. De muntunie is uitdrukkelijk van de agenda weggelaten, maar de mogelijke politieke gevolgen van de vorming van een monetair blok werpen hun schaduw vooruit.

De dreigende dominantie geldt niet alleen voor Europa zelf, maar ook voor de verhouding met de buitenwereld. Met de komst van de euro krijgt de wereld er, naast de Amerikaanse dollar en de Japanse yen, een derde mondiale munt bij. De Duitse mark vervulde die monetaire hoofdrol voor Europa al. Maar de euro, die behalve het gewicht van Duitsland ook dat van Frankrijk en de Benelux zal hebben, vertegenwoordigt straks een economisch blok van een grotere omvang dan de Japanse economie.

Dat schept een probleem, vindt Randall Henning, onderzoeker bij het prestigieuze Amerikaanse Institute for International Economics. Met wie moeten de Verenigde Staten en Japan straks overleggen over de onderlinge wisselkoerspolitiek? Vrijwel alles aan een munt is het domein van centrale banken, behalve de wisselkoerspolitiek. Bij revaluaties, devaluaties of andere wisselkoersafspraken heerst het primaat van de politiek, ook in Europa. De Europese Centrale Bank kan straks namens de Monetaire Unie wel aan internationaal overleg deelnemen, maar de Amerikanen weten niet welk Europees lichaam de politieke verantwoordelijkheid heeft of krijgt voor de euro. De Europese Commissie of ministerraad, waarin ook landen als Griekenland of Portugal hun stem laten horen? Henning: “Er is op dit punt een duidelijke omissie in het Verdrag van Maastricht.”

Die omissie wordt pregnanter naarmate de discussie toeneemt over een nieuw internationaal wisselkoersbeleid, dat met de komst van de euro op het internationale toneel iets aannemelijker wordt. Oud-president van de Amerikaanse centrale banken, Paul Volcker, lanceerde begin dit jaar het idee om weer te gaan kijken in hoeverre een stelsel van koersafspraken tussen de 'wereldmunten' nieuw leven kan worden ingeblazen. Ook Henning ziet, door de komst van de euro, mogelijkheden voor intensiever overleg, al is de wederkomst van een soort van Bretton Woods-systeem dat de wisselkoersen in 25 jaren na de oorlog op hun plaats hield, vooralsnog een hersenschim. Euro-enthousiasten als Stefan Collignon van de Franse Associatie voor de Monetaire Unie in Europa en de Duitse directeur-generaal financiën Klaus Regling zien juist in de wereldrol van de euro het de grootste politieke en economische gewin van de Europese muntunie.

Het is met name dit vooruitzicht dat achter de schermen de gemoederen in Groot-Brittannië bezig houdt. In de jaren tachtig werden de kleinere industriemachten (waaronder Nederland) langzaam uit het reguliere overleg tussen de economische grootmachten verwijderd. Het overleg van de Grote Tien werd het overleg van de Grote Zeven. Dat overleg gaat over majeure internationale economische, financiële en monetaire kwesties. Er is, ook in Westminster, maar weinig fantasie voor nodig om de Grote Zeven na de komst van de muntunie te zien veranderen in de Grote Drie: de Verenigde Staten, Japan en de EMU. Canada, Groot-Brittannië en Italië verdwijnen dan langzaam van het toneel, en daarmee hun invloed op het allerhoogste internationale niveau.

Dat baart de Britten zorgen. “De City (het financiële hartvan Londen) zal naar de muntunie toekomen”, orakelde de Duitse bondskanselier Helmut Kohl eergisteren, “en als de City komt, komt ook de rest van Groot-Brittannië.” Daar zou Kohl nog wel eens gelijk in kunnen krijgen. De politieke risico's van de vorming van de muntunie voor Europa groeien met de dag, maar het politieke rendement is te groot om te laten schieten.