Straffen of kwetsen

Straffen is altijd slecht, vinden universitaire pedagogen. Maar onderwijzers denken daar meestal anders over.

'Studenten, denkt erom, als u een leerling slaat, doet dat dan niet om kwart over twaalf, maar om kwart over negen. Dan zijn de sporen verdwenen wanneer de ouders 's middags hun kind komen halen.” W. Bosch ziet haar strenge docent MO-pedagogiek uit de jaren zestig nog voor zich. Strenge man, zelf onderwijzer geweest, een echte ouderwetse frik, die zijn kwekelingen deze wijze raad wel uit eigen ondervinding zal hebben voorgehouden. “En hij hàd natuurlijk gelijk”, zegt Bosch. “Als de ouders het niet zagen, was er niks aan de hand.”

De pedagoge, stagecoördinator van de Interconfessionele PABO in Amsterdam, hoeft er niet aan toe te voegen dat zij háár studenten niet inwijdt in de fijne kneepjes van het onzichtbaar-slaan. Lichaamlijk contact is tegenwoordig taboe in de klas. Of het nu slaan is of aaien.

Dit taboe verklaart de opschudding bij ouders en in krantenkolommen toen een paar weken geleden bekend werd dat de politie onderzoekt of op een basisschool in Amsterdam kinderen zijn mishandeld. Een oud-muzieklerares van deze Platoschool, die bedenkingen had tegen de opvoedingsmethoden die daar werden gehanteerd, stuurde anderhalf jaar geleden een enquête rond onder een aantal van haar oud-leerlingen. Enkele leerlingen zeiden daarin dat ze voor straf waren geslagen. “Alles werd door middel van straf in toom gehouden”, schrijft een oud-leerling. Strafregels, honderden strafregels, billenkoek en op water en brood zetten waren strafmaatregelen die door verschillende oud-leerlingen zijn genoemd. Vorig jaar september legde de oud-lerares, A. Does, haar rapport neer bij de onderwijsinspectie en bij de politie. Beide instanties begonnen een onderzoek. De politie doet nog steeds onderzoek naar lichamelijke mishandeling op de school, de inspectie boog zich over het 'sociaal-affectieve klimaat'.

RotwoordDe inspectie, die bij haar onderzoek geen aanwijzingen vond dat op de Platoschool nu nog zou worden geslagen, oordeelde dat de school te eenzijdig aandacht besteedt aan kennisoverdracht en de sociaal-affectieve ontwikkeling van de leerlingen verwaarloost. De leiding van de Platoschool heeft de opdracht gekregen het werkplan van de school aan te passen en daarin expliciet te vermelden hoe zij leerlingen beloont en straft. Op 1 april moet het nieuwe werkplan aan de inspectie worden voorgelegd.

Pedagoog E. Roede van de Universiteit van Amsterdam heeft het nog even nagevraagd op een bijeenkomst met collega's, maar nee, geen enkele Nederlandse pedagoog doet onderzoek naar straf in de opvoeding. “Want iedereen vindt straf slecht.”

Die luxe kan de 'toegepaste' pedagogiek zich niet veroorloven. Straf mag dan slecht wezen, de leraar die zich zonder disciplinaire maatregelen voor de klas staande houdt, is nog altijd zeldzaam. En dus wordt aan de pedagogische academies en in de begeleidingscentra voor het onderwijs wel degelijk nagedacht over straf - al zeggen ze er eensgezind bij dat ze het “een rotwoord” vinden.

Geslagen wordt op scholen in Nederland nog maar zelden, is hun algemene indruk. Gestraft, of liever: gedisciplineerd wordt er wel - 'volop' zelfs, volgens een pedagoog. Een kleine inventarisatie leert dat het onderwijzend personeel nog altijd uit een rijk repertoire van disciplinaire hulpmiddelen put. Een studente van de IPABO in Amsterdam liep stage op een school waar een kind zijn mond met zeep moest spoelen als het een lelijk woord had gezegd. Op de Vrije School in Deventer moeten twee ruziënde kinderen samen, zonder een woord te zeggen, een reusachtige tekening maken. Op de reformatorische ds. C. de Ridder-school in Nunspeet wordt voor een gedragsontsporing de hulp van God gezocht. Dan vouwt directeur J. den Hertog samen met het kind de handen. “En dan vragen we of de Here ons in deze moeilijke zaak wil helpen.”

Terwijl de universitaire pedagogen straf te slecht vinden om onderzoek naar te verrichten, zijn de onderwijzers en HBO-pedagogen minder afwijzend. Straf hoort tot de opvoedingsmiddelen, vindt Bosch, net zoals belonen. En als je er vanuit gaat dat de onderwijskundige niet alleen kennis overdraagt op de leerlingen, maar hen ook moet opvoeden, is het logisch dat de leraar op school dezelfde instrumenten hanteert als de ouders thuis.

Pedagoog H. van den Berg van het Advies- en begeleidingscentrum voor het onderwijs in Amsterdam vindt dat de school zich niet hoeft te generen voor het aanleren van discipline. “Als je een kind niets verbiedt, leert het ook nooit wat het een ander aandoet met zijn gedrag.” Een straf kan daarbij de grens van het toelaatbare aangeven.

Volgens Van den Berg is het belangrijk in de straf een relatie te leggen met het 'vergrijp'. “De leraar geeft daarmee aan wàt hij van het gedrag niet correct vindt. Het kind blijft in zijn waarde, wanneer je als leraar zegt: ik begrijp je persoon wel, maar ik begrijp je gedrag niet.” Het kind moet door de straf leren dat bepaald gedrag niet voor herhaling vatbaar is. Je kunt een meisje dat kliedert met verf wel verbieden mee te doen met gymnastiek, maar je kunt haar beter alle verf laten opruimen en de tafels laten schoonmaken. Dan ziet ze hoe mooi een opgeruimde klas is - dat is tenminste de bedoeling van deze maatregel, aldus Van den Berg.

Een kleine rondgang bij scholen leert dat wegsturen de meest voorkomende straf is. In de hoek staan of op de gang, of zelfs van school gestuurd worden; allemaal gradaties van verwijdering, de pedagogische equivalent van afzondering, waar ook gevangenisstraf op berust. Het is een maatregel met twee effecten: de groep is een ordeverstoorder kwijt en de ordeverstoorder leert waar de grenzen liggen.

De relatie tot het vergrijp is daarbij soms vergezocht. Bosch vindt verwijdering daarom een onbeholpen maatregel. Zij waarschuwt haar studenten ervoor dat ze kunnen vastlopen in het bestraffen van ordeverstoringen, zodat ze als een verkeersagent voor de klas staan en aan kennisoverdracht noch opvoeding toekomen. Haar studenten komen bij hun stages regelmatig in zulke klassen, te herkennen aan (buiten) een kind dat op de gang staat en (binnen) een juffrouw die de hele dag schreeuwt.

Onmacht

Eén keer heeft Anouk Bakker (24), vierdejaars studente op de IPABO, een jongetje buiten de klas gezet, omdat hij haar het lesgeven aan anderen onmogelijk maakte. “Ik was op dat moment vooral blij dat-ie ook daadwerkelijk de gang op gìng, zo eng vond ik het. Later had ik er spijt van, het was toch een bewijs van mijn onmacht geweest.” Volgens Van den Berg is het machtsconflict tussen leraar en leerling, hoe jong ook, funest voor het klimaat in de klas. “Groepen die door de onderwijzer keihard worden aangepakt, worden recalcitrant, zijn uit op wraak. Dan raakt het effect van straf zoek.”

Bosch: “Als je straft omdat je in je macht bent gekwetst, straf je voor eigen glorie. Dan ben je het kind aan het vernederen. En dat kunnen onderwijskundigen heel goed.”

Af en toe komen studenten op de IPABO aanzetten met verhalen over slaag op hun stageschool. Zo onvoorstelbaar vond stagecoördinator Bosch het dus niet toen de commotie rond de Platoschool ontstond. Bosch - die zich uit haar eigen schooltijd nog herinnert dat ze eens in de hoek werd gezet, haar bril moest afdoen en vervolgens een oorvijg kreeg, al weet ze niet meer wat ze had misdaan - ziet het als incidenten die op elke school kunnen voorkomen. Ze voegt er aan toe dat er scholen zijn waar het wat structureler lijkt te gebeuren dan elders: “Er zijn levensbeschouwingen die van opvoeden met de harde hand houden.” Wèlke wil ze beslist niet zeggen; het stigma dat ze dergelijke stromingen daarmee bezorgt, zou de goede scholen daarbinnen geen recht doen.

Liefde voor het kind

Het bestuur van de Platoschool verklaarde daags nadat de Volkskrant melding had gemaakt van het politie-onderzoek, dat slaag op school inmiddels tot het verleden behoorde. In dat verleden - de school is in 1983 opgericht - was een 'corrigerende tik' geen uitzondering, aldus bestuursvoorzitter J. van Doorn. “Niet dat het beleid was, maar we hebben het de leraren ook niet verboden als ons incidentele, individuele gevallen ter ore kwamen.” Een van de oprichters van de school, P. van Ooyen verzekerde dat iedere tik werd toegediend vanuit 'liefde voor het kind'.

Het bestuur van de Platoschool heeft het slaan van leerlingen eind jaren tachtig expliciet verboden. Omdat het toen niet meer in overeenstemming zou zijn geweest met de maatschappelijke opvattingen over opvoeding. Dat lijkt een rijkelijk late bekering tot die opvattingen, want slaag is al veel langer geen gangbaar opvoedingsmiddel meer in Nederland. Het màg wel. Dat wil zeggen, in de wet op het basisonderwijs komt het hele woord 'straf' niet voor. En waar de politie in Amsterdam op de Platoschool naar zoekt, zijn gevallen van 'mishandeling', niet naar 'pedagogische tikken'. In Groot-Brittannië, waar de voorbeelden voor de Plato-school staan, is het recht om leerlingen te slaan keurig vastgelegd. De wet verbiedt onderwijzers het slaan van leerlingen op openbare scholen en scholen die door de staat worden gesubsidieerd. Op independent schools, die door zeven procent (600.000) van alle Britse scholieren worden bezocht, is corporal punishment toegestaan.

Ook op islamitische scholen, die naar zeggen van enkele directeuren door de buitenwacht met argusogen worden bekeken, is slaag vaak expliciet verboden. “Juist omdat het in moslimgezinnen meer gebruikelijk is om te slaan”, zegt adjunct-directeur R. Houtkooper van de El-Faroeqschool in Amsterdam, “heeft het bestuur het verbod op slaag vastgelegd. Terwijl de ouders nog wel eens zeggen: 'Pak hem maar flink aan, meester!' ”