Ritzen wil personeel universiteiten status van ambtenaar ontnemen

AMERSFOORT, 21 MAART. Universitair personeel moet in de toekomst niet langer worden aangesteld als ambtenaar. Universiteiten moeten zelf een aparte CAO afsluiten, waardoor ze makkelijker kunnen inspelen op de flexibele arbeidsmarkt. Dit zei minister Ritzen (Onderwijs) gisteren op een congres van de vereniging van Nederlandse universiteiten VSNU, in Amersfoort.

Nu sluit het ministerie van Onderwijs de CAO voor universitair personeel af, die valt onder het ambtenarenreglement. Volgens Ritzen is het logisch universitair personeel niet als ambtenaar aan te stellen, omdat het verrichten van onderzoek en geven van wetenschappelijk onderwijs geen echte ambtenarentaak is: niet tevergelijken met het werk van departementsambtenaren bijvoorbeeld. Als universiteiten zelf de arbeidsvoorwaarden kunnen vaststellen, kunnen ze volgens Ritzen beter concurreren met het bedrijfsleven en met het buitenland.

Een gevolg van het verlies van de ambtenarenstatus is dat ontslagen personeel niet langer wachtgeld krijgt, maar een WW-uitkering. De wachtgelden voor universitair personeel worden uiteindelijk betaald door het ministerie van Onderwijs, de WW door het werkloosheidsfonds, dat uit premies wordt gevuld. De uitgaven voor wachtgelden drukken nu zwaar op de begroting van het ministerie van Onderwijs. Deze verschuiving is volgens het ministerie niet de belangrijkste reden de ambtenarenstatus van wetenschappelijk personeel te veranderen.

VSNU-voorzitter M.H. Meijerink hield gisteren op hetzelfde congres een pleidooi om universiteiten meer vrijheid te geven een flexibel personeelsbeleid te voeren. Volgens Meijerink is het daarom nodig dat de verhouding tussen universiteit en overheid verzakelijkt. Het ministerie van Onderwijs moet universiteiten niet langer geld geven op basis van het aantal studenten, maar aparte contracten per universiteit afsluiten. In deze contracten moet vantevoren worden vastgelegd hoeveel studenten minimaal zullen afstuderen en hoeveel onderzoek de universiteit zal doen. Universiteiten moeten zelf verantwoordelijk worden voor het personeelsbeleid, en samen als bedrijfstak een CAO afsluiten, aldus Meijerink.

Meijerink sluit met zijn pleidooi aan bij de plannen van Ritzen in het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan (HOOP) van vorig jaar september. Daarin stelde Ritzen voor universiteiten voor tien jaar een vast budget te geven.

De Universiteit van Amsterdam heeft hierop vooruitlopend al een voorstel tot verandering van de universitaire structuur waardoor een flexibeler personeelsbeleid mogelijk is. Zij wil de traditionele vakgroepen en faculteiten afschaffen en vervangen door een soort detacheringsbedrijven van wetenschappelijk personeel. Universiteiten en onderzoeksinstituten kunnen dan onderzoekers en docenten inhuren van die detacheringsbedrijven. Het personeel is wel in vaste dienst bij die bedrijven. Het voordeel hiervan is dat medewerkers niet vast worden aangesteld voor één functie zoals docent, maar dat ze voor verschillende soorten werk kunnen worden ingehuurd, aldus S.J. Noorda, lid van het college van bestuur. “Er is zowel voor onderwijs als voor onderzoek een steeds sneller veranderende vraag.” Bovendien kunnen personeelsleden die te weinig worden ingehuurd op den duur worden ontslagen. Noorda: “We zijn gedwongen meer beweging in ons personeelsbeleid te krijgen, want we hebben een onevenwichtige leeftijdsopbouw. De vaste staf wordt steeds ouder, en het tijdelijk personeel blijft even jong, omdat er geen kans op doorstroming is voor hen.”

T.H.J. Stoelinga, voorzitter van het college van bestuur van de Nijmeegse Universiteit vindt het Amsterdamse voorstel interessant. “Maar ik moet nog zien of het zo werkt. Als je wil dat werknemers beter presteren zijn er ook andere manieren, zoals functioneringsgesprekken of geen salarisverhoging geven.” Stoelinga heeft genoeg bewegingsvrijheid met zijn personeelsbeleid, vindt hij. Dit jaar hebben de drie bijzondere universiteiten voor het eerst een afzonderlijke CAO afgesloten, waarin is vastgelegd dat personeel in vaste dienst bij reorganisaties kan worden overgeplaatst naar andere functies, bijvoorbeeld - na bijscholing - naar een aangrenzend vakgebied. Maar volgens Stoelinga is het gevaarlijk de universiteit als een bedrijf te beschouwen. “Je kunt niet vanuit de faculteit zeggen: Piet, doe dit onderzoek, of doe nu dat. Universitair personeel is hoog gekwalificeerd en stuurt zijn eigen werkzaamheden aan.”

Volgens J. Cohen, rector-magnificus van de Maastrichtse Universiteit is een flexibeler personeelsbeleid niet de oplossing voor de personeelsproblemen op universiteiten. “Die hebben andere oorzaken. Er is een grote vergrijzing, en we zijn enorm veel geld kwijt aan wachtgelden voor ontslagen personeel.”