Respectabiliteit

Deze weken is er sprake van een ware hysterie onder operaliefhebbers. De spanning is bijna ondraaglijk: zou het dit jaar wel lukken? Gevoelens van hulpeloosheid en hoop-tegen-beter-weten-in wisselen elkaar af. Onder de Vrienden van de Opera stijgt de verontwaardiging met de dag: jarenlang betaalden we trouw ons lidmaatschap, ieder jaar hebben we de duurste abonnementen besteld, maar deze keer moeten ook wij meedingen in de algehele loterij met een geringe kans op succes. En dat alles terwijl volgend seizoen het aantal voorstellingen met een kwart zal toenemen. Opera is big business in Nederland.

De nu al ruim tien jaar durende opmars van de opera is des te opvallender vanwege de toegenomen belangstelling in kringen die in het verleden toch niet graag met deze 'antiquarische' kunstvorm geassocieerd hadden willen worden. Was opera vroeger niet een absurde vertoning van moddervette tenoren die in hun langdurige doodstrijd handenwringend werden gadegeslagen door even wanstaltige diva's? Vandaag verdringen keurige burgers die toch niet verdacht kunnen worden van diepgaande musicologische passie elkaar bij de verkoop van programmaboeken met volledig libretto, wordt er in de pauzes champagne geschonken en zijn de spijkerbroeken vervangen door smokings en zijden jurken. Sterker nog, drukbezochte lezingen bewijzen dat het niet zo maar om een oppervlakkige belangstelling gaat. De opera is niet alleen populair of sjiek, hij is vooral respectabel en serieus geworden. En dus sponsorwaardig.

De huidige respectabiliteit van de opera staat in schril contrast met die van de universiteiten of de wetenschap in het algemeen. Universiteiten zijn voor de buitenwereld veelal synoniem met doctorandusfabrieken waar in afgetrapte, met vuile koffiebekertjes bezaaide collegezalen getracht wordt enige grondbeginselen in slaperige studenten te persen die verlangend uit het raam staren tot ze weer op het terras kunnen hangen of eventueel kunnen bedienen. Of waar bebrilde vakidiootjes in spe levensgevaarlijke DNA-mengseltjes brouwen ten behoeve van een alleen in Botswana voorkomende zeldzame erfelijke afwijking. Zelfs wie deze clichés al te gortig vindt, moet erkennen dat universiteiten niets hebben van glamour en status. Wereldvreemd onderzoek, elkaar publiek bevechtende hoogleraren, vage beschuldigingen van plagiaat en lucratieve bijbaantjes, niet aflatende bestuurscrises. Niets wat sponsors aantrekt, vrees ik.

In onze tijd kunnen opera, kunst noch universiteiten bestaan zonder verregaande overheidssubsidie. Dat onze musea deel vormen van ons cultureel erfgoed is helaas voor sommige mensen makkelijker te aanvaarden dan dat onze grote universitaire collecties daarbij horen. Maar los daarvan is overheidssubsidie allang niet meer voldoende. Er is eigenlijk geen enkele grote manifestatie, zoals de Vermeertentoonstelling of de Mahlercyclus, waarbij het bedrijfsleven niet meebetaalt. Een moderne vorm van maecenaat waarbij de betaler geen opdrachtgever is in de strikte zin, maar zijn geld verruilt voor de status die een dergelijke kunstzinnige gebeurtenis uitstraalt.

Daarmee is sponsoring dus wezenlijk iets anders dan derde geldstroom, de vorm van externe financiering waarmee universiteiten trachten hun totale begroting op te hogen. Bij derde geldstroomprojecten wordt van de universiteiten een direct concreet product verwacht door de geldschieter, een membraanfiltermethode, een type zonnecel of een publieksonderzoek (ik noem maar wat). Dit staat in schril contrast tot de verwachtingen die het bedrijfsleven heeft bij het sponsoren van kunst. Er is uiteraard geen sponsor die inhoudelijke eisen zal stellen aan het product, hoogstens aan de exclusiviteit en de wijze van presenteren. De farmaceutische industrie zal niet vragen om een opvoering van Puccini's Madama Butterfly met de heldin als Thais heroinehoertje in een opvangtehuis om daarmee het marktaandeel van methadon veilig te stellen. En we hoeven niet te vrezen voor een Otello en Desdemona als respectievelijk succesvolle zwarte Amerikaanse beurshandelaar en directiesecretaresse (met een typische DINKies - dual incomes no kids - plot), gesponsord door een of andere bank.

Anders gezegd, er is een groot verschil tussen derde geldstroom en sponsorfondsen, en de universiteiten krijgen te weinig van het laatste. In relatie tot de universiteiten beperkt het bedrijfsleven zich vooral tot gebonden financiering met daarnaast het steunen van een enkele prestigieuze wetenschappelijke prijs of congres. Blijkbaar biedt het sponsoren van een universiteit niet de status die het sponsoren van een van Gogh-tentoonstelling of het Nederlands Philharmonisch Orkest oplevert. Overigens heeft de opkomst van de gesponsorde kunst niet of nauwelijks geleid tot een vervlakking van de smaak of een achterstellen van de avant garde, zoals vaak werd gevreesd. Er is meer variatie aan opera en beeldende kunst te zien dan een halve eeuw geleden, en hoewel het aantal klassieke opera's duidelijk overheerst, is het zeker niet zo dat het twintigste eeuwse repertoire geen kans krijgt. Van Monteverdi tot Philip Glass, van Hildegard von Bingen tot Goebaidoelina, het publiek stroomt toe. Juist ook in de enscenering staat een avant garde aanpak tegenwoordig voorop, of althans iets dat daarvoor moet doorgaan: echte auto's en levende dieren op het toneel naast abstracte lichtsculpturen, en bizarre kledingstijlen uit alle eeuwen.

Deze constatering zou inspiratie moeten bieden aan universiteiten waar nog steeds de angst heerst dat geld vragen gelijk staat aan uitverkoop houden. Dat risico is bepaald niet denkbeeldig bij derde geldstroomprojecten, maar het zou wel eens veel geringer kunnen blijken bij echte sponsoring. De prangende vraag is alleen: hoe krijgen universiteiten hun respectabiliteit terug, zodat het voor bedrijven de moeite waard is om zonder tegenprestatie, en uitsluitend omwille van de status hun naam en geld eraan te verbinden? Ik ben bang dat dat niet eenvoudig is. We beschikken hier in Nederland niet over een goed geoutilleerde 'alumni machine' (zoals bijvoorbeeld Oxford of Yale) die op professionele wijze contacten onderhoudt met de afgestudeerden die op invloedrijke posten zijn terecht gekomen en die hen stimuleert mee te betalen aan belangrijke investeringen zoals laboratoria, apparatuur en leerstoelen.

Daarmee zou in ieder geval een belangrijk knelpunt worden opgelost (met name als het gaat om de vandaag zo belangrijke investeringen in informatica), maar er blijft een probleem bestaan: de vaste lasten voor personeel en andere exploitatiekosten. Daar wil geen sponsor aan - en dat zou ook niet gepast zijn. Het instand houden van de onderwijs- en onderzoekcapaciteit blijft in eerste instantie de taak van de rijksoverheid. Maar universiteiten zouden veel meer kunnen en moeten doen om hun respectabiliteit terug te winnen, omdat anders ook het politieke draagvlak voor de financiering van hun kerntaken (dus hun eerste geldstroom) in het geding komt. Helaas is het voornamelijk een klaagzang die de buitenwereld bereikt, waarbij het Sola, perduta, abandonata in de interpretatie van Maria Callas nog sotto voce blijft.

Hoe goed onderbouwd het commentaar van bijvoorbeeld Job Cohen op de kritische opmerkingen van topondernemers over de universiteiten ook is ('Borrelpraat moet stoppen', NRC Handelsblad, 9 maart), ik vrees dat dit allemaal te weinig zoden aan de dijk zet. Zolang de universiteiten worden geassocieerd met defensief gedrag, malaise en gebrek aan visie is er weinig hoop, hoe onterecht we dat als belanghebbenden ook vinden. Respectabiliteit krijg je door de kwaliteit van je mensen en vooral door de maatschappelijke rol die zij als afgestudeerden spelen. Voor de goede orde: die maatschappelijke rol valt zeker niet zonder meer samen met het doen van direct toepasbaar onderzoek, maar heeft te maken met een bijdrage aan het publieke debat en aan het beheren van een cultureel gedachtengoed. De irritatie bij veel onderzoekers dat zij direct maatschappelijk nut moeten opleveren is begrijpelijk, maar hier gaat het juist om de niet onmiddellijk toepasbare outputs van universiteiten. Namelijk om dat deel van de universiteit dat de kern vormt van onze cultuur. Tenslotte zijn ook Die Meistersinger of De Nachtwacht niet maatschappelijk relevant.

Helaas bestaat er geen magische formule om onze maatschappelijke status op te krikken. De enige bruikbare les van onze collega's in de kunst is dat we niet moeten vluchten in derde geldstroom, maar meer aandacht zouden moeten geven aan het verkrijgen van ongebonden sponsoring. Dat zou kunnen rondom een bepaald evenement, zoals een grote lezing, maar ook los daarvan, omdat het in stand houden van bepaalde kennis voor onze maatschappij als geheel relevant is, los van de onmiddellijke toepasbaarheid. Het zal wel nooit zo worden dat de universiteit zich in populariteit kan meten met de Nederlandse Opera. Onze schrale troost is dat opera zich verhoudt tot de wetenschap als een kermisdraaimolen tot de slinger van Foucault, als oogverblindende rondzwierende glitter tot nauwelijks waarneembare regelmaat. Tegen het placebo-effect van de opera kunnen wij niet op, maar aan onze respectabiliteit kunnen wij in stilte en in waardigheid werken.