Petroleumlicht in Tsjernobyl

Tien jaar na de explosie van reactor 4 is de weg die leidt naar de kerncentrale in Tsjernobyl minder stil dan je zou denken. Het complex blijkt uitgegroeid tot een soort Lourdes voor journalisten en politici.

Hoe voelt het om niets bijzonders te voelen? Als dat in het hart van het meest radioactief vervuilde deel van Wit-Rusland gebeurt, voelt dat een beetje eigenaardig. Volgens de kaart is de cesium-137-besmetting van de braakliggende akkers om ons heen meer dan 40 curie per vierkante kilometer. Dat is 1480 kilobecquerel per vierkante meter in nieuwe eenheden, genoeg om er een jaarlijkse stralingsdosis van 5 millisievert aan op te lopen. Juist daarom is het dorpje waar we nu staan in 1988 ontruimd. Maar de meegebrachte dosimeters, moderne varianten van de oude geigerteller, meten niet veel meer straling dan ze in Nederland zouden hebben gedaan. Het zal aan de dikke sneeuwlaag liggen, oppert een van ons, sneeuw kan veel bèta-straling tegenhouden. Maar ook op de kale grond tikt de teller niet merkbaar sneller.

Het zijn niet de enige geruststellende signalen die tot ons komen. Het dorpje zelf zag er al zo aardig uit en het winterzonnetje doet ook veel goed. Er is een opgewekte koolmees en ook de roeken en bonte kraaien zien er gezond uit. Nog belangrijker zijn de voetstappen in de sneeuw, voetstappen die er al stonden voor wij arriveerden. Er blaft een hond. Uit een enkel huisje kringelt rook omhoog. Hier en daar staan ijsbloemen op de ramen.

Het naamloze gehucht, op een paar kilometer van het dorpje Vjetka bij Gomel, is ontruimd, maar niet onbewoond. Tegen de voorschriften in is een aantal oude bewoners weer teruggekeerd en de autoriteiten laten het nu maar zo. Niet dat de elektriciteit opnieuw zal worden aangesloten of dat de postbode nog langs komt, maar pogingen om de oudjes weg te jagen heeft men opgegeven. Ze moeten het zelf maar weten. Nageslacht verwekken ze niet meer en de meeste stralingskankers komen pas na een jaar of vijftien tot uiting. Tegen die tijd zijn ze allang een natuurlijke dood gestorven.

Het is 14 februari, de tweede dag van een tocht door Wit-Rusland en Oekraïne waarbij wij met eigen ogen en oren zullen zien en horen wat de brand in reactor 4 van de kerncentrale bij Tsjernobyl - nu bijna tien jaar geleden - heeft aangericht. Het is een tocht langs de talrijke instituten en klinieken die de gevolgen van de ramp verwerken, een tocht door de ontruimde gebieden bij Gomel en bij Tsjernobyl en een tocht die uiteindelijk moet culmineren in een bezoek aan de getroffen centrale zelf. Met een 'Empfang in der Deutsche Botschaft' in Kiev als apotheose, want ons reisgezelschap bestaat uit zo'n 35 Duitse journalisten die zich met een comfortabele bus in zes dagen van het vliegveld van Minsk naar dat van Kiev laten rijden. Begeleid door stralingsdeskundigen van het Duitse milieu- en gezondheidsinstituut GSF en reactortechnici van het instituut GRS. En natuurlijk door lokale autoriteiten die ons langs de verschillende controleposten loodsen.

Vislucht

Goed beschouwd kent de reis vele hoogtepunten. Alleen al in het schooltje van Vjetka, dat wij na het bezoek aan het ontruimde dorp eigenlijk alleen voor de aardigheid aandoen, kijken we onze ogen uit. Nòg weer grauwer, nòg weer vuiler dan de kliniek die we 's ochtends bezochten, met een WC die zelfs het meeste bereisde lid van ons gezelschap tot kokhalzen brengt en een doordringende vislucht die je eerder in een havenstad had verwacht. De school is belast met de taak de kinderen van 'ecologisch zuiver' voedsel te voorzien, legt het behulpzame schoolhoofd uit. Voedsel dat gegarandeerd vrij is van radioactieve bestanddelen. En in ingeblikte aangezuurde vis heeft men wat dat betreft kennelijk het meeste vertrouwen. Of het veel helpt zou het hoofd niet durven zeggen. De kinderen blijven radioactief besmette bessen en paddestoelen eten en drinken vaak lokaal geproduceerde melk. Die is meestal veel meer gecontamineerd dan de melk van melkfabrieken die een betere controle hebben en van de meest vervuilde melk uitsluitend de room gebruiken.

Tien jaar geleden had de school nog 1.000 leerlingen, zegt het hoofd, nu zijn er nog maar 560 en echt gezond is er niet een meer. Er zijn hart- en vaatziekten, nerveuze aandoeningen en er is de schildklierkanker. “Langer dan vijftien minuten kunnen de meeste kinderen zich niet meer concentreren, dan zijn ze weer afgeleid.” Zelf zien wij aan de kinderen niets bijzonders. In Amsterdam zal het concentratievermogen toch niet beter zijn en het verbaast ons dat ze nog zo vrolijk met sneeuwballen gooien terwijl het hier toch al dagen gesneeuwd moet hebben. Er wordt snoep uitgedeeld en we vertrekken want de lunch wacht en het is nog een eind rijden naar Tsjernobyl.

Door de hoge sneeuw, de talrijke wegblokkades van de verkeerspolitie en het oponthoud bij de controleposten aan het begin van de gesloten zone rond de ontplofte kernreactor arriveren we daar anderhalf uur later dan bedoeld. Tsjernobyl blijkt een vriendelijk stadje met uitsluitend laagbouw dat alweer volop bewoond wordt door technici en onderzoekers. Eigenlijk herinneren alleen de weilanden vol helikopters, vrachtwagens en grondverzetmachines, die te sterk gecontamineerd waren om nog elders dienst te doen, aan de ramp van destijds.

Als we uiteindelijk het erf van het Tsjernobyl-centrum voor internationaal onderzoek oprijden, wordt het dorp net door een stroomstoring getroffen. Dat blijkt elke dag tussen vijf en zes te gebeuren, petroleumlampen en zaklantaarns liggen al klaar, maar het licht van de tv-ploegen blijkt het meest effectief. Onze late komst heeft het humeur van Arthur Korneev, plaatsvervangend directeur voor het beheer van de 'sarcofaag' (de betonnen koepel over de ontplofte reactor) geen goed gedaan. Bovendien blijkt Tsjernobyl uit te groeien tot een soort Lourdes voor journalisten en politici - de stoelen zijn om zo te zeggen nog warm van de vorige gasten. Gasten die ongetwijfeld hetzelfde wilden horen als wij. Korneev kauwt zijn kauwgum, kijkt naar de onzichtbare horizon en deelt mee dat hij geen voordracht houdt maar alleen vragen beantwoordt. Zijn er vragen, vraagt de tolk. Hoe is de sarcofaag gebouwd, bedenken wij. “De sarcofaag is heroïsch gebouwd binnen zes maanden. Andere vragen?”

Met veel hangen en wurgen komt er nog wat meer uit. Dat de sarcofaag geen scheuren vertoont, zoals iedereen roept, maar openingen heeft die er al vanaf het begin waren omdat hij met afstandsbediening werd gebouwd. Dat het betonnen gevaarte nu een beetje begint te verzakken, maar dat het niet waarschijnlijk is dat hij zal instorten. Het radioactief besmette water dat zich in de verschillende kelders en ondergrondse ruimtes ophoopt begint een beetje een probleem te worden. Men werkt aan een oplossing.

Avarie

Gelukkig is er na Korneev de technicus Boris Rogoschkin die benadrukt uitsluitend als privé-persoon te spreken. Hij heeft een heel eigen theorie over de aard van het ongeluk, dat hij, zoals iedereen die aan de centrale verbonden is, stelselmatig een machinestoring (een 'avarie') noemt. Het zat hem in een vibrerende klep van de hoofdkoelpomp. Het reactorpersoneel (dat een ondoordacht, riskant experiment zou hebben uitgevoerd) treft geen enkele blaam. Als er in het Westen wordt beweerd dat de reactor belangrijke ontwerpfouten had, dat er te weinig regelmogelijkheden waren, dan is dat pure desinformatie. Het ontwerp is goed, er waren alleen wat kinderziekten en die vibrerende klep was er een van.

Nu neemt Nikolai Archipov het woord, hij is hier directeur en behandelt de stralingsecologie. Hij vertelt hoe een deel van de bossen in de omgeving destijd onder invloed van de straling totaal was weggebrand en dat er de eerste jaren na het ongeluk ernstig misvormde dennenkiemplanten opkwamen. Er was een muizenplaag geweest omdat de oogst bleef staan. Maar inmiddels was de toestand weer vrijwel genormaliseerd. Vervuilde gewassen en vervuilde grond zijn afgevoerd en overigens doet het Pruisisch blauw zijn heilzaam werk. Dat blijkt een ijzer-cyanide-complex met een hoge affiniteit voor cesium waaraan wonderen worden togeschreven. Besmette koeien krijgen het door het krachtvoer. De situatie is vrijwel genormaliseerd, herhaalt Archipov. In het Westen wordt nu beweerd dat hier als gevolg van de ramp veulens met acht poten geboren worden. Onzin! Die veulens waren er al voor 1986.

De sfeer wil er niet helemaal inkomen en de volgende dag in de centrale is het niet veel beter. Weer zijn we aan de late kant, eerst bekeken we het geëvacueerde dorpje Gorodiche dat nog mooier is dan het eerste bij Gomel dankzij het reliëf van het landschap dat afloopt naar de rivier de Pripjat. En weer stonden er voetstappen in de sneeuw, want ook hier hebben de oude mensen zich niet laten wegjagen en geldt een gedoogbeleid. Men leeft er van de moestuin, verbouwt zijn eigen tabak, stookt de kachel met hout uit de omgeving en drinkt water uit de eigen waterput. Gecontamineerd water uit een gecontamineerde nap. Vandaag, het is een Russisch-Orthodoxe feestdag, zijn net de kleinkinderen op bezoek. Weer snoep dus, en we laten ook de tientallen oude brillen achter die op aansporing van de reisleiding van huis waren meegenomen.

De weg naar de centrale is minder stil dan je denken zou. Binnen een kwartier na het vertrek uit Gorodiche zien we de grimmige installaties opdoemen in het kale landschap. Zo kaal was het vroeger niet: na '86 is alle begroeiing verwijderd en samen met de zwaar gecontamineerde toplaag afgevoerd. Het nucleaire complex is veel omvangrijker dan de meeste foto's suggeren en er blijken behalve de vier bekende 'blokken' nòg twee reusachtige reactoren in aanbouw te zijn, met koeltoren en al. Het zijn de eenheden vijf en zes waaraan volgens onze begeleiders na april '86 niet meer is gewerkt. Men heeft liever niet dat ze gefotografeerd worden. Wie dat toch probeert krijgt de camera uit handen getrokken door een verbeten teenager met een grote politiepet op.

Er is een vriendelijke ontvangst in de hal van het hoofdgebouw waar een nauwkeurige maquette staat van de centrale toen die nog helemaal gaaf was. Compleet met de al afgebouwd gedachte eenheden vijf en zes. Sergei Pavlovksi is hoofd internationale betrekkingen van de centrale en hij heet ons welkom. De centrale van Tsjernobyl is nu de veiligste van Oekraïne, zegt hij feestelijk, en reactor 1 behoort tot de twintig beste reactoren van de wereld. Hij denkt eigenlijk niet dat Oekraïne de elektriciteit van de centrale makkelijk kan missen.

Nu, dat kan general manager S. Parashin, die wij vervolgens in de directiekamer te spreken krijgen, wel in helderder termen gieten. Er is geen sprake van dat de centrale gesloten wordt! Niet zolang het Westen, of meer specifiek: de G7, niet met contant geld aan de deur komt in plaats van toezeggingen die voornamelijk uit leningen bestaan. Vervreemdend om in zijn kamer de Landsat-satellietfoto's te zien hangen die het Westen in mei 1986 het bewijs leverden dat er een kernreactor in brand stond.

De general manager is klaar, we gaan naar buiten en nu wordt het menens. Ons gezelschap wordt gesplitst, een deel gaat naar de spookstad Pripjat, waarvan de 45.000 inwoners destijds binnen drie uur door 1.100 autobussen werden afgevoerd, en een kleine groep mag zelfs mee de sarcofaag in. Ook wij van de restgroep krijgen dosimeter-badges uitgereikt en worden in slagerskleding gestoken. We gaan reactor 1 bekijken en zullen ook de reactorhal bezoeken. Na een tocht door eindeloze, grauwe gangen staan we ten slotte in een controlekamer waarin bijna niets te zien is maar toch veel tijd wordt doorgebracht. Wat erger is: verderop blijkt nog zo'n kamer te zijn en weer verder nòg een. De laatste controlekamer heeft een tv-scherm dat beelden van de reactorhal toont. Er wordt net splijtstof verwisseld.

Men voert ons naar de lawaaierige turbinehal waarin de turbines van alle vier reactoren zijn ondergebracht. Die van de geëxplodeerde reactor 4 aan het eind van de hal staan inmiddels achter een dikke betonnen muur en de turbines van reactor 2 draaien niet. Ze vlogen in oktober 1991 in brand en sinds die tijd ligt de reactor stil. Deze zomer wordt beslist of hij weer wordt bijgeschakeld. En dat wàs het, zegt de rondleider. “Vergeet niet de badges weer in te leveren”. En de reactorhal dan? Daarvoor is de groep bij nader inzien te groot, zegt hij, en vandaag komt het sowieso niet goed uit. (Achteraf komt vast te staan dat zich eind november vorig jaar in reactor 1 een ongeluk voordeed dat de hal zwaar radioactief besmette.)

Na de lunch in de kantine van de centrale komen ook de andere groepen terug. Die van de sarcofaag hebben niet zo heel veel te zien gekregen maar zijn toch diep onder de indruk. Ze mochten ook in de halfverwoeste controlekamer, maar een souvenirjager heeft inmiddels de knop gestolen waarmee de reactor werd afgeschakeld. De ploeg die in het verlaten Pripjat werd rondgeleid is ontdaan door de waarneming dat in de kleuterschool nog half afgemaakte kindertekeningen lagen, zó haastig ging destijds de ontruiming. (Dat Pripjat op een zondagmiddag werd ontruimd, heeft niemand ze verteld.) Na een goed begeleide fotosessie verlaten we het terrein van de centrale.

Europese neurosen

Vrijdagochtend zijn we al om negen uur in het onderzoekscentrum voor algemene en forensische psychiatrie bij Kiev. Onder de 1.700 patienten daar bevinden zich ook veel Tsjernobyl-slachtoffers met psychische problemen. We worden toegesproken door neurofysiologen en psychiaters, één ervan met zware baard en gestoken in het uniform van een eerste luitenant. Ook overigens lijkt de negentiende eeuw niet ver weg. Toch is aan de psychiatrie de laatste jaren veel verbeterd, legt men uit, zo worden bijvoorbeeld patiënten niet meer tegen hun zin behandeld. Maar verder is er vooral regressie, door de diepe economische recessie in Oekraïne. Het instituut krijgt steeds minder geld en kan de rekening van de apotheek niet meer betalen. Terwijl de Oekraïeners juist steeds meer neurosen ontwikkelen. Andere neurosen dan gemiddeld in Europa, vraagt iemand van ons. Maar de spreker verstaat: andere dan gemiddeld in Europa, “Pardon”, zegt hij geïrriteerd, “Oekraïeners zijn ook Europeanen, wij hebben ook Arisch bloed. We hebben hier precies dezelfde neurosen als u.” Maar er is toch één uitzondering: de radiofobie die tegenwoordig zo algemeen is rond Tsjernobyl, is in het Westen veel zeldzamer.

Het instituut heeft een belangrijke ontdekking gedaan: er blijkt een rechtstreekse invloed van straling op de psyche te bestaan. Het is de onderzoekers verboden daarover te publiceren omdat Westerse wetenschappers het staaltje onverwachte New Age-wetenschap ridiculiseren, maar hier, oog in oog met de massamedia, wil men het wel herhalen: de meeste psychosociale problemen onder de Tsjernobyl-slachtoffers die aan 'stress' worden toegschreven zijn een direct gevolg van de inwerking van de straling op de hersenen.

En we hebben nog wat, zegt een andere geleerde terwijl hij geheimzinnig glimlachend een koffertje opent. Er blijkt een heel eenvoudig middel om de gemoedstoestand van een patiënt te beïnvloeden. “Wij rusten neerslachtige patienten uit met een bril waarvan de glazen voor de linkerhelft uit blauw glas en voor de rechterhelft uit rood glas bestaan. Dat werkt heel activerend. Met opgewonden patiënten doen we het net andersom, links rood en rechts blauw. We hebben al een patent in Amerika, binnen tien jaar gebruiken alle psychiaters deze brillen.”

Er worden ons geen patiënt getoond, dat mag niet meer tegen hun wil en kennelijk willen ze niet. Het spijt ons niet, de gesprekken met diverse stralingsslachtoffers die ons de afgelopen week in Minsk en Gomel waren gepresenteerd zijn ons niet in de koude kleren gaan zitten. Ook de ontmoetingen met de verlegen maar opgewekte kinderen - dertien, veertien jaar oud en stuk voor stuk met een horizontaal lidteken in de hals op de plaats waar vroeger de schildklier zat - die wij mochten vragen hoe het is om geen schildklier meer te hebben en te horen dat er nu ook uitzaaiingen in de longen zijn, proberen we eigenlijk al een tijdje te vergeten.

We verruilen de psychiatrische kliniek voor het wetenschappelijk centrum voor stralingsgeneeskunde in Kiev. Daar is een geharde groep wetenschappers bijeengedreven met een ouderwetse passie voor getallen en statistiek. Zij spreken het laatste woord over de juiste aantallen dorpen die zijn ontruimd, de aantallen evacués, de stralingsbelasting, de vierkante kilometers verboden zone en de aantallen slachtoffers. Veel overeenstemming met elders verstrekte gegevens is er niet. Volgens prof.dr. A. Romanjenko, destijds minister van gezondheid, zijn er in Oekraïne inmiddels 1.800 doden aan Tsjernobyl toe te schrijven, maar hoe zijn telling in elkaar steekt wordt ons niet helemaal duidelijk.

Verrassing

Het zit er bijna op, er rest ons nog een bezoek aan de bijbehorende kliniek voor stralingsgeneeskunde. Daar worden we de volgende ochtend naar toe gereden. Er is niet zo heel veel meer te melden, maar toch heeft men een verrassing in petto: we mogen even praten met twee werknemers van de centrale die destijds dienst hadden op het moment van het ongeluk en, te hulp snellend, een megadosis straling ontvingen. Ze liggen in een uithoek van de kliniek die weliswaar lang zo smerig niet is als bijvoorbeeld het centrum voor schildklierpathologie in Minsk, maar die toch een heel naargeestige sfeer verspreidt. De twee mannen - een heeft door de straling een been verloren - worden niet vrolijk van ons bezoek en antwoorden smalend op de vragen. Bent u nog steeds voorstander van kernenergie, waagt een van ons. Natuurlijk zijn ze dat.