Medische effecten

Eind mei 1991 werd, vijf jaar na de ramp bij Tsjernobyl, op een congres in Wenen bekend gemaakt dat, anders dan de vele geruchten wilden, het ongeluk met de kernreactor maar weinig slachtoffers had gemaakt. Onderzoekers werkend onder auspiciën van IAEA en WHO hadden vastgesteld dat er, afgezien van de 31 personen die al binnen enige maanden aan de gevolgen van acute stralingsziekte (ARS) waren gestorven, geen lichamelijke effecten waren te vinden die direct aan straling waren toe te schrijven. Bovendien was gebleken dat de Sovjets de ernst van de radioactieve vervuiling rond Tsjernobyl hadden overschat. Mede daardoor waren de schattingen van de stralingsbelasting een factor twee te hoog uitgevallen. De Sovjets werd het verwijt gemaakt dat ze veel te veel inwoners van Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland hadden geëvacueerd (de 135.000 bewoners van gebieden met een besmetting van meer dan 1480 kilobecquerel per m, dat is 40 curie per km, zijn zonder pardon verhuisd) en dat ze de psychische schade daarvan hadden onderschat of genegeerd. De talrijke psychosomatische klachten die zich door de stress ontwikkelden waren tot dan de meest tastbare gevolgen van Tsjernobyl.

Het viel dus goedbeschouwd allemaal wel mee, zo luidde de slotconclusie die ook in deze krant min of meer de eindstand werd.

De onderzoekers waren zich er in 1991 wel van bewust dat bijna alle late stralingseffecten (overwegend kankers) nog aan het licht moesten komen. Voor de kankers die zich het eerst manifesteren, leukemie en schildklierkanker, worden op grond van de ervaringen in Hiroshima en Nagasaki latentietijden van respectievelijk 3 en 7 jaar aangehouden. Borst- en longkanker openbaren zich gemiddeld pas zo'n 10 tot 15 jaar na blootstelling aan gevaarlijke straling, andere kankers blijven nog langer weg.

Inmiddels, tien jaar na Tsjernobyl, is de latentietijd van leukemie en schildklierkanker verstreken en dat heeft geleid tot een belangrijke bijstelling van de conclusie uit 1991. Op de WHO-conferentie over de gezondheidseffecten van Tsjernobyl, die eind november 1995 in Genève plaats vond, kregen vooral schildklierkanker bij de kinderen onder de getroffen bevolking, leukemie onder de honderdduizenden schoonmakers en hulpverleners (de zogenaamde liquidatoren) en de psychische problemen van de bevolking aandacht.

De incidentie van schildklierkanker onder kinderen uit de radioactief vervuilde gebieden begon eind 1990 merkbaar te stijgen en werd halverwege 1991 statistisch significant. Eind 1994 waren er 565 kinderen met schildklierkanker geregistreerd (333 in Wit-Rusland, 208 in Oekraïne en 24 in Rusland). Aan de diagnose wordt niet getwijfeld, wel aan de conclusie, die de meeste onderzoekers onderschrijven, dat Tsjernobyl de oorzaak is van de ziektegevallen. De Japanner S. Nagataki die veel onderzoek heeft gedaan aan de gevolgen van de nucleaire explosies boven Hiroshima en Nagasaki en boven de Marshall-eilanden (Bikini, Eniwetok, waar de Amnerikaanse waterstofbommen ontploften) meent dat een afdoende bewijs nog ontbreekt.

Schildklieren zijn op zichzelf waarschijnlijk niet veel gevoeliger voor straling dan andere metabolisch actieve organen maar ze staan in de praktijk vaak bloot aan een hogere straling dan de rest van het lichaam omdat ze selectief jodium uit het bloed opnemen. Bij veel nucleaire ongelukken komt radioactief jodium-131 (een splijtingsprodukt van uranium) vrij dat via ademlucht of voeding wordt opgenomen en uiteindelijk onder het afgeven van bèta- en gammastraling vervalt. Al vanaf een orgaandosis van 60 millisievert (mSv) verhoogt dit de kans op schildklierkanker. Hoe hoger de dosis hoe groter de kans op kanker. Volgens berekeningen van de Amerikaan R.E. Shore hebben zo'n 38.000 kinderen (tot en met 14 jaar) in Wit-Rusland en Oekraïne destijds een schildklierdosis van meer dan 300 mSv opgelopen. (De grootheid 'dosis' in de stralingshygiëne wordt uitgedrukt in geabsorbeerde stralingsenergie per kilo bestraald orgaan of organisme. Door deze definitie kan een orgaan een hogere dosis oplopen dan het lichaam waarin dat orgaan is opgenomen. Door natuurlijke straling loopt de Europese bevolking jaarlijks een dosis van 1 tot 5 mSv op.) Kinderen hebben een vergroot risico op schildklierkanker omdat ze gevoeliger zijn voor straling en bovendien meer jodium opnemen, zeker als de voeding arm aan jodium is, wat in de getroffen gebieden lokaal het geval was. Boven een leeftijd van tien jaar neemt het risico snel af. Een handicap in de toewijzings-kwestie is dat niet goed bekend is hoe frequent schildklierkanker voorkwam in de besmette gebieden vóór reactor vier onplofte. Van de drie getroffen staten had alleen Wit-Rusland voor 1986 een kankerregistratie opgezet.

Een ander probleem is dat de hoeveelheid straling, vooral die door jodium, na de ramp niet goed is gemeten. Kort na het ongeluk is vanuit vliegtuigen die gammastraling detecteerden ruwweg vastgesteld waar de meeste fallout was terecht gekomen. Daarna is de besmetting door cesium-137, dat een halfwaardetijd heeft van 30 jaar, gedetailleerd in kaart gebracht. Maar cesium (verwant aan kalium) is zeker anders verspreid als joudium-131. Jodium-131 heeft een halfwaardetijd van maar acht dagen en was dus 80 dagen na het ongeluk al weer voor 99,9 procent verdwenen. Het betekent dat de opgelopen dosis I-131 per individu moet worden gereconstrueerd uit het voedings- en verblijfspatroon van destijds met allerlei aannames over de besmetting van lucht, voedsel en drinkwater.

Afgezien van de kinderen gaat de meeste medische aandacht uit naar de ongeveer 800.000 liquidatoren, de schoonmakers en bouwvakkers (veelal mannen, overwegend militairen) die vaak aan veel straling blootstonden. Onder hen leek leukemie twee tot tien keer vaker voor te komen dan onder de rest van de bevolking. Op grond daarvan valt te vrezen dat ook de andere kankers zich na verloop van tijd aandienen.

De opzet was dat de liquidatoren geen hogere dosis dan 250 millisievert zouden oplopen (ruwweg de laagste lichaamsdosis waarbij gezondheidseffecten te verwachten zijn), maar door falende dosimetrie, nonchalance en onnodige heldhaftigheid heeft ruim 7 procent een hogere dosis opgelopen (tot 500 mSv), soms binnen een paar minuten. Zij kwamen daarmee al dicht bij de dosis van 1000 mSv waarvan acute stralingsziekte te verwachten is. De verwachting is daarom dat zich onder hen veel gevallen van kanker zullen ontwikkelen. Momenteel ligt alleen de leukemie-incidentie significant boven het gewone niveau. Overigens heeft de lichamelijke conditie van de liquidatoren - en eigelijk die van alle getroffenen - vooral te lijden onder de angst voor kanker.

De psychische nood van de getroffen bevolking, al of niet geëvacueerd, is, stelden onderzoekers vast, tot ongekende hoogte gestegen en heeft tot een overvloed aan lichamelijke aandoeningen geleid. Bij kinderen (inmiddels ruim 9 jaar oud) die als embryo de verhoogde straling ondergingen was een geringe en statistisch onzekere achterstand in geestelijke ontwikkeling geconstateerd, maar onduidelijk is of die door straling is veroorzaakt of stress bij de ouders. Er zijn tot dusver geen statistisch sterke trends gevonden in aangeboren afwijkingen bij kinderen die na 1986 uit 'bestraalde' ouders zijn geboren.

Angst, onmacht en fatalisme en daardoor toegenomen drank- en tabaksgebruik hebben veel en veel meer ziekten doen ontstaan dan de straling ooit zal opwekken, benadrukte de Britse hoogleraar dr.T. Lee met stemverheffing. “Het wordt tijd de stralingsmafia een halt toe te roepen. De psychische gevolgen van Tsjernobyl verdienen de meeste aandacht en juist daarin staan de ex-Sovjets met hun verouderde Pavlov-psychologie vrijwel met lege handen.”