Het onbegrepen parlement

Er is vorige week geen schokgolf door Europa gegaan nadat het Europees Parlement zich in Straatsburg had uitgesproken over de toekomstige structuur en taken van de Europese Unie. Nu heeft het parlement anonimiteit gemeen met de meeste Europese instellingen en organisaties. Zij werken allemaal zonder veel interesse van de buitenwereld vooral voor elkaar. Voor de gemiddelde burger gaat de identificatie met Europa nog steeds niet veel verder dan het Eurovisie songfestival en het Europacup voetbal.

Het zou een signaal moeten zijn. Ruim 45 jaar geleden werd met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal de aanzet gegeven voor de huidige Europese Unie. Maar in die halve eeuw is het idealisme dat aan deze samenwerking ten grondslag lag, voornamelijk blijven steken in hoofden van politici. De 'Europese vonk' is nooit overgesprongen op de burger. Eerder is het tegendeel het geval. Als het Europa betreft gaan cynisme en scepsis hand in hand. De Nederlandse kiezers maakten dat twee jaar geleden duidelijk door bij de verkiezingen voor het Europees Parlement massaal thuis te blijven. Alleen in Portugal was de opkomst nog lager.

De verklaring van de kant van de Europarlementariërs was snel gegeven. Los van het specifieke probleem, dat Nederland dat jaar al twee keer eerder de gang naar de stembus had kunnen maken, was het toch vooral het gebrek aan bevoegdheden dat het parlement parten had gespeeld. Geef het parlement de macht en de kiezers zullen komen, is een veelgehoorde hypothese onder leden van het Europarlement.

Zou het echt zo zijn? Eén van de boeiendste fenomenen van het Europees Parlement blijft - op enkele individuele uitzonderingen na - het blinde geloof in zichzelf. Het is tevens de tragiek van dat parlement. Week in week uit vergaderen ze in Brussel of Straatsburg. Geen kwestie blijft onberoerd. De hoeveelheid geproduceerd papier (in elf talen!) is gigantisch. Maar buiten hun vergaderbunkers worden de Europarlementariërs òf niet gehoord, òf niet begrepen, òf niet serieus genomen, òf gewoonweg geschoffeerd.

Aan de andere kant is daar het ontegenzeggelijke gelijk van het Europees Parlement. Nationale overheden en nationale parlementen lopen steeds vaker op tegen Brusselse voldongen feiten. In het traject waarbij voorstellen van de Europese Commissie moeten worden goedgekeurd door de Europese ministerraad, ontbreekt een volwaardige parlementaire controle. Het veelbesproken democratische gat is er. Maar de vraag blijft of, wanneer dat gat ooit gedicht is, de interesse voor het parlement noemenswaardig zal zijn toegenomen. Want het gelijk van het Europarlement is toch in hoge mate het theoretische gelijk van de tekentafel. Verruiming van de bevoegdheden en affiniteit van de burgers gaan niet hand in hand. Wat aan het Europees Parlement tot in lengte van dagen zal ontbreken is herkenbaarheid.

Om maar met het meest simpele te beginnen. Kan een parlement eigenlijk wel functioneren als elk debat wordt doodgeslagen door de taalbarrière? Vertegenwoordigers die komen uit vijftien verschillende lidstaten leiden nu al tot een kakofonie van tolken. Met een verdere uitbreiding naar twintig of meer landen wordt dat probleem alleen maar manifester. Iets anders is dat een serieus te nemen parlement voor een belangrijk deel uit herkenbare politieke hoofdstromingen zou moeten bestaan. Maar Europese partijvorming is meer en meer een fictie. Wat in het Europees Parlement voor fractie doorgaat, bestaat meestal uit een groep 'enigszins gelijkgezinden'. Zowel in de christendemocratische als de socialistische fractie lopen de onderlinge opvattingen zeer ver uiteen. Er zijn maar weinigen die het land van afkomst kunnen verloochenen. Dus lopen bij stemmingen de landencombines dwars door de partijen heen. Ook hier zal een uitbreiding van het aantal lidstaten slechts leiden tot een vergroting van het probleem.

Het zijn allemaal geen nieuwe waarnemingen bij een parlement dat sinds 1979 rechtstreeks wordt gekozen en inmiddels 626 leden telt. Maar wat telkens weer opvalt is het onvermogen bij een grote meerderheid van dat parlement om daarvoor oog te hebben. In dat verband was het debat dat de Europarlementariërs vorige week voerden over de toekomst van de Europese Unie tekenend.

De verwachtingen over de Intergouvernementele Conferentie die eind deze maand in Turijn begint, zijn in de meeste Europese hoofdsteden minimaal. Van de 'Euroforie' die vijf jaar geleden nog heerste, is bitter weinig over. De inbreng van de regeringen voor de conferentie spoort - met uitzondering misschien van het altijd optimistische Nederland als het over Europese eenwording gaat - aardig met de heersende malaise-stemming. Niet gehinderd door dat gegeven tuigde een grote meerderheid van het Europees Parlement in zijn advies voor de conferentie een complete kerstboom op. De verlangens lopen uiteen van de oprichting van een werkgelegenheidscomité dat de beleidsmaatregelen van de diverse lidstaten moet coördineren, via een uniform kiesstelsel voor alle landen (inclusief een invoeringstermijn) tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid waarover lidstaten met meerderheid van stemmen moeten kunnen beslissen.

Daarmee ontpopte het Europarlement, dat toch al geen enkele status heeft bij de komende regeringsconferentie, zich wederom als federalistische actiegroep voor Europa. Dat het algehele klimaat ten aanzien van de Europese integratie totaal anders is, lijkt de volksvertegenwoordigers geheel te zijn ontgaan. Waarmee wederom bewezen is dat het dus inderdaad geen echt parlement is.