Guido de Brès

“Und zurückgelehnt, mit hängenden Armen, überwältigt und mehrfach von Schauern überlaufen, flüsterde er die stehende Formel der Sehnsucht, - unmöglich hier, absurd, verworfen, lächerlich und heilig doch, ehrwürdig auch hier noch: 'Ich liebe dich!'(Der Tod in Venedig - Thomas Mann).”

Bonke, bonke, bonke, bonke... In de hoek van de docentenkamer zitten twee mannen met drank voor zich, Guido, een keurige man met snor. Theo, jeans grijzend haar, achter in de veertig. Ze zwijgen somber.

Een vrolijk type met zorgeloze blik, verhit gelaat, komt binnen, haalt pils uit de ijskast en schuift aan. “Wat zitten jullie hier sloom. Zou je niet eens op de kinderen gaan passen.” Geen antwoord. Bonke, bonke, bonke... Het geluid van het leerlingenfeest in de gymzaal.

“Hè, hè, is dat werken.” “Ben je wezen dansen, René?” “Ook. Maar daarnet heb ik die lange uit 5 havo, Eric-en-nog-wat, gesnapt. Had een flesje whisky bij zich. Was nog half vol. Kijk.” “Nou, dat is niet halfvol.” “Wat denk je? Ik vind whisky heerlijk en voor die jongen is het helemaal niet goed. Moet je een slokje?” “Nee, kun je toch niet maken.”

“Flauwekul, ze zijn hier veel te ethisch op deze school. Wat een kleremuziek trouwens.” “Je vond het daar wel leuk, zo te zien.” “Moet je luisteren, als iedereen in de docentenkamer zit, is er geen enkele controle. Bovendien, het is toch hartstikke gezellig, dat jonge volkje? Die meiden zien er echt verschrikkelijk mooi uit vanavond. Een feest voor het oog. Heb je dat aparte mokkeltje uit 4A3 gezien?” “Bedoel je Maria?” “Ja, dat kan wel. Die heeft iets aan alsof ze niks aan heeft!”

Het is een conversatie tussen Theo en René. Guido zwijgt somber. “Hé Guido, wat zit je op je horloge te kijken? Moet je al weer weg. Zit er thuis iemand te wachten?” “Nou je hier toch bent, René”, zegt Theo, “we zagen daarnet Elize Berkelmans huilend met een vriendin op de gang. Helemaal overstuur. Liefdesverdriet, dachten we. Maar dat was het niet. Ze had het over jou.” “Och, nee toch. Het is een beetje een zeur.” “Nou ze zei: die kutvent van een Dalstra kan nooit z'n handen thuis houden. Ze had het over een viezerd, en over andere feesten.” “Ach, wat een onzin.” “Klopt het dan niet? Haar vriendin beaamde het, weet je. We zitten er hier net over te praten.” “Er was niks aan de hand, man! We waren gewoon lekker aan het springen, iedereen lol, gezellig. En toen pakte ik d'r gewoon even lekker beet en dat vond ze niet leuk. Dat is alles.”

Theo wordt onrustig. “Man, wat ben je toch voor een onvolgroeide puber? Dat doe je toch niet? Zeg jij eens wat, Guido.” Guido staart. “Luister eens, René, het is niet de eerste keer dat ik zoiets hoor. Ik kan dit niet zo laten lopen. Ik ga er mee naar de rector toe, hoor. Het spijt me verschrikkelijk. Je gaat echt te ver.” “Wat is dat nou voor flauwekul? Is dat collegialiteit? Jij bent zo'n schijnheilige. Je doet maar. Voor mij is de lol van deze avond af. Ik ga naar huis.” René loopt weg.

Theo is rood aangelopen. Guido staart naar de grond en kijkt op z'n horloge. “Nou, zeg eens wat, Guido? Wat moeten we hiermee? Dit kan toch niet?... Guido?” “Ik moet weg, ik heb een afspraak.” “Dus je gaat morgen niet mee naar de rector?” Guido staat op, buigt zich voorover en kijkt Theo plotseling fel aan. “Nee Theo, ik vind die Dalstra verschrikkelijk, maar ik ga niet mee. Dat kan ik niet.” “Waarom niet?” “Ik heb een afspraak met Frans Overveld uit 2Hd. Die slaapt vanavond bij mij, bij mij in bed. En weet je waarom? Ik houd van Frans!”