Fietsers verdienen meer subsidie

Regering en parlement willen (meer) concurrentie in het collectief vervoer. Om dat te bereiken, zetten de commissarissen van het Verenigd Streekvervoer Nederland onlangs twee topmensen aan de kant. Het is opmerkelijk, dat bij het woord concurrentie alleen naar het streekvervoer wordt gekeken. Er zijn méér mogelijkheden.

Om te beginnen kan men nagaan waar concurrentie ontbreekt en welke mogelijkheden er zijn om die te bevorderen. Neem de fiets. Voor wat betreft de tijd is de fiets voor afstanden tot 5 à 10 kilometer de evenknie van het openbaar vervoer, maar niet voor wat betreft de veiligheid en de beschutting tegen regen en wind betreft. Toch krijgt dat weinig aandacht.

Fietsers krijgen ook weinig geld: de uitgaven van het Rijk voor uitbreiding en verbetering van de fietsstructuur zijn een fractie - nog geen 1 procent - van die voor het collectief vervoer. Ondertussen reisden we in ons land in 1994 bijna net zo veel kilometers per fiets als per trein, en was de totale fietsafstand twee maal zo groot als die van bus, tram en metro samen.

Ook bus en tram concurreren niet. In de steden met deze twee soorten vervoer behoren zij in elk geval tot hetzelfde - gemeentelijk - vervoerbedrijf. Wat zou er gebeuren als het aparte bedrijven zouden zijn? De concurrentie tussen bus en trein is ook niet groot. Snelbus en Interliner rijden vrijwel alleen op trajecten waar geen directe treinverbinding is.

Het Rijk zou het geld dat hij uitgeeft om het collectief vervoer in stand te houden, ook kunnen besteden aan vormen van (collectief) vervoer die op afroep in actie komen. De maatregel 'communiceert' met vormen die nu verlies lijden: naarmate er meer op afroep gebeurt, en daar dus meer geld voor nodig is, kan het vervoer dat volgens een dienstregeling rijdt maar onvoldoende klanten heeft, verminderen. Daarvoor is dan ook minder subsidie nodig. Gezien het feit dat het Rijk dit jaar voor het collectief 6 miljard gulden reserveerde, liggen hier grote financiële mogelijkheden.

Het Rijk zou de subsidie die nu naar het collectief vervoer gaat ook kunnen individualiseren. Personen of huishoudens met beperkte financiële mogelijkheden kunnen nu al subsidie krijgen om in een passend huis te wonen. Iets dergelijk zou men ook bij het collectief vervoer kunnen doen: personen of huishoudens met beperkte middelen zouden in aanmerking kunnen komen voor een gereduceerd tarief.

Het Rijk zou hieraan het totale bedrag dat het voor collectief vervoer reserveerde kunnen besteden, maar ook een deel. Wanneer het Rijk de helft van zijn uitgaven voor collectief vervoer in 1996 zou toewijzen aan de helft van de bevolking, zou er voor elke gebruiker zo'n 400 gulden beschikbaar komen. Dat is minder dan gemiddeld aan huursubsidie wordt verstrekt, maar ligt toch in de buurt van de kostprijs van de OV-jaarkaart voor studenten.

Individualisering van de vervoersubsidie heeft een geweldige invloed op de concurrentie tussen de vervoerbedrijven: zij krijgen niet alleen minder geld van het Rijk, maar zij moeten ook klanten gaan 'winnen'. Het aanwijzen van de mensen die voor subsidie in aanmerking komen moet niet al te moeilijk zijn: bij allerlei instellingen is voldoende over onze financiële omstandigheden bekend.

Het Rijk kan de individualisering van de subsidie voor collectief vervoer ook anders organiseren: door collectief vervoer voor een gereduceerd tarief aan te bieden aan personen of huishoudens die geen auto hebben. De realisering van deze gedachte is ook niet moeilijk: de registratie van de motorrijtuigenbelasting is daarvoor in 1995 al geschikt gemaakt.

Meer vervoer op afroep - ik denk vooral aan meer vervoer per taxi - heeft ook nog bijkomende voordelen. Door het frequenter gebruik wordt deze vorm van vervoer goedkoper. Meer vervoer op afroep leidt tot meer werkgelegenheid. Meer vervoer op afroep remt de groei van het aantal auto's. Misschien is het zelfs goed voor het milieu.

Het zou wel eens kunnen zijn dat regering en parlement met het maken van een nieuwe bedding voor thans lopende geldstromen de concurrentie in het collectief vervoer veel beter bevorderen dan met het vervangen van de top van VSN.