Dr. H. Van de Velde: De 'r' van het Noorden trilt niet meer

De uitspraaknormen van het Standaard-Nederlands zijn ingrijpend veranderd. Maar met slordigheid heeft het niets te maken, zo ontdekte een Nijmeegse promovendus.

De klank van het Nederlands is niet meer wat hij geweest is. Zacht wordt hard. Lange klinkers worden tweeklanken. De trillende 'r' is nu meestal een onduidelijke brouw. Wat in 1935 klonk als 'voet', klinkt nu vaak als 'foet'. 'Beek' is 'beejk' en 'boot' is 'boowt' geworden. “De uitspraak van het Standaard-Nederlands wordt steeds meer beheerst door de Randstad-omgangstaal”, zegt de Vlaamse sociolinguïst Hans van de Velde. In Vlaanderen is de uitspraak van de standaardtaal aanzienlijk minder veranderd.

Vandaag verdedigt Van de Velde zijn proefschrift Variatie en verandering in het gesproken Standaard-Nederlands 1935-1993 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na een studie 'germaanse filologie' in Gent ging hij naar Nijmegen voor een promitieonderzoek naar taalverandering, aan de hand van radiofragmenten. Koninklijke reportages en sportverslagen bleken het meest geschikt en Van de Velde breidde het onderzoek verder uit naar Vlaamse radiofragmenten.

Van de Velde tikte de banden uit, en voorzag die tekst vervolgens van verschillende codes voor de onderzochte klanken. Zo onderscheidde hij aanvankelijk tien verschillende 'r'-klanken: de rollende 'r', met de huig of juist met de tong, achterin de mond, de brouwende 'r' enzovoorts. “Ik denk dat de banden in totaal wel twee- of driehonderd keer heb gehoord. Vooral de precieze klank van de 'r' is vaak moeilijk te verstaan.”

De Vlaming kwam er achter dat vooral in Nederland de uitspraak van de standaardtaal verre van constant is gebleven. Stemhebbende medeklinkers zoals 'z', 'ch' en 'v' evolueren alle - zij het in verschillende mate - naar een stemloze uitspraak, waaraan de stembanden niet meer te pas komen: 's', 'g' en 'f'. De lange klinkers 'ee' en 'oo' worden steeds meer tweeklanken: 'eej' en 'oow'. Het echte 'Randstadplat' voor 'beek' en 'boot': 'beik' en 'bouwt', is nog niet tot de standaardtaal doorgedrongen. De getrilde 'r', met de tongpunt of met de huig, is zo goed als verdwenen, ervoor in de plaats is een onduidelijke, gebrouwde klank gekomen. Het aantal getrilde 'r'-klanken nam af van 43 procent in 1935 tot 6 procent in 1993. In Zuiden worden bijna alle 'r'-klanken getrild, nu en in 1935. De 'ee'- en 'oo'-klanken blijven er enkelvoudig - geen spoor van 'eej' of 'oow'.

Breed gedragen

In tegenstelling tot wat veel cultuurcritici menen, hebben de veranderingen in het Noorden met slordig taalgebruik helemaal niets te maken. “Dat is de meest verrassende conclusie uit mijn onderzoek”, zegt de nu ex-aio (assistent in opleiding) Van de Velden op een kleine studentenflat in Nijmegen-Lindenholt. “Want de verschillen in uitspraak blijken nu niet groter te zijn dan in de jaren dertig. Er is nog altijd een duidelijke norm. Alleen, die norm verandert en iedereen verandert mee. Als het slordigheid was, zou je een veel grotere variatie in de uitspraak verwachten.”

Dat in dezelfde periode het Standaard-Nederlands in Vlaanderen nauwelijks veranderde, is niet zo gek. Want in Vlaanderen is de Standaardtaal in feite geen breed gedragen taal. “Ik schat dat zij in Vlaanderen door minder dan een procent van de bevolking wordt gesproken. In Nederland spreekt ongeveer een kwart van de mensen altijd standaardtaal.” Het verschil zit hem in de historische ontwikkeling. De verovering van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585 heeft de Nederlandse taalgemeenschap voor eeuwen in tweeën gespleten. In de machtige Hollandse steden ontstond een Nederlandse standaardtaal, die door de vele zuidelijke vluchtelingen overigens wel sterk Brabants van inslag was. In het zuiden werd echter het Frans de interregionale standaardtaal - het Nederlands speelde geen rol.

Het Zuidelijke Nederlands kwam pas vanaf het einde van de negentiende eeuw langzaam onder de franstalige verdrukking uit. Pas in 1930 wordt Gent de eerste nederlandstalige universiteit. In 1932 wordt het Nederlands de enige officiële taal in Vlaanderen. Wat de Belgische autoriteiten aantroffen, was een lappendeken van onderling vaak nauwelijks verstaanbare dialecten, zonder een duidelijk taalcentrum. Brussel was te verfranst om een standaardtaal te kunnen leveren. Noodgedwongen werd de gevestigde Noord-Nederlandse standaard ook de norm in het zuiden, met in uitspraak wel aanpassingen aan de zuidelijke dialecten. Want “spreken zoals het botste volk ter wereld, daar voelen de meeste Vlamingen dus niet voor”, zoals Van de Velde de Vlaamse linguïst K. Deprez citeert.

De schrapende 'g' heeft het BRT-Nederlands nooit gehaald, maar bijvoorbeeld de trillende 'r' ligt de Vlamingen juist veel gemakkelijker dan de noorderburen. In het algemeen werd de uitspraak sterk gebaseerd op de spelling van de geschreven taal. Huiselijke kring

Het is voor het eerst dat er daadwerkelijk onderzoek is gedaan naar de ontwikkeling van de uitspraak van het Algemeen Beschaafd Nederlands, of Standaard-Nederlands. Zoals Van de Velde het noemt: “de taal van de intellectuele middenklasse voor communicatie buiten huiselijke kring”. Of zoals de bekende taalkundige Coenraad van Haeringen het in 1924 noemde: “Goed beschaafd Nederlands spreekt hij aan wie men niet horen kan uit welk gewest hij afkomstig is.” Maar hoe dat dan klinkt, is eigenlijk nooit vastgesteld, aldus Van de Velden. Want wie zich met het Standaard-Nederlands bezighoudt, bestudeert doorgaans de schrijftaal, en de linguïsten die zich met uitspraak bezig houden, bestuderen juist alleen dialecten. Van de Velden: “Er is echt nood aan een antwoord op de vraag: wat is de juiste uitspraak van het Standaard-Nederlands? Bijvoorbeeld bij het onderwijs aan buitenlanders hangt die nu toch eigenlijk van het toeval af.” De nu werkloze Nijmeegse onderzoeker, die binnenkort een paar uur per week gaat les geven aan moeilijk lerende kinderen, hoopt op toekenning van een Nederlands-Vlaamse subsidie voor een grootschalig vervolgonderzoek. Uiteindelijk zou dat moeten leiden tot een Nederlands uitspraakwoordenboek.

Niet alleen het onderwerp van Van de Veldes onderzoek, ook zijn onderzoeksmethode is baanbrekend. In de linguïstiek worden taalveranderingen doorgaans bestudeerd door het taalgebruik van ouderen te vergelijken met dat van jongeren. Maar die methode is problematisch, omdat het taalgebruik soms sterk leeftijdsgebonden kan zijn. Dezelfde mensen die als jongere sterk vernieuwend taalgebruik laten zien, conformeren zich op latere leeftijd vaak aan de heersende normen. Ook komen er bij informanten ouder dan zeventig jaar weer geheel eigen problemen aan de orde: gebitsproblemen die de spraak beïnvloeden, geheugenproblemen en concentratieverlies: “Af en toe vallen ze zelfs in slaap tijdens het onderzoek”, schrijft Van de Velde.

Van de Velde deed het anders. Hij analyseerde in totaal 68 geluidsfragmenten van telkens tien minuten verdeeld over vijf perioden vanaf 1935. Alleen al met de verzameling van die fragmenten uit de verschillende omroeparchieven gingen twee jaar heen. “Toen ik eraan begon, dachten veel collega's dat het niet zou lukken.” Hij stelde strenge eisen: het moest gaan om spontaan gesproken woord (niet het voorlezen van geschreven teksten), gericht op een algemeen, landelijk publiek, en om leeftijdsvertekening tegen te gaan moesten de sprekers alle ongeveer even oud zijn (29-35 jaar).

Omroepen

Een van de aanvankelijke bezwaren tegen taalkundig onderzoek van radio-opnamen was dan ook dat de onderzoeker niet zozeer de taalverandering meet, maar vooral de cultuurverandering van de omroepen. Maar die toenemende 'informalisering' van de radio is onafhankelijk van van de veranderde uitspraak van het Nederlands, zo bleek uit statistische analyse. Van de Velde: “Sommige erg informele sprekers, met veel eh's en veel pauzes, deden in hun uitspraak juist helemaal niet mee met de klankveranderingen.” En de frequentie van het al dan niet uitspreken van de slot-n ('blijven' of 'blijve'), een zeer stijlgevoelige uitspraak, bleek in zestig jaar onveranderd. In de Noord-Nederlandse opnamen werd in ongeveer vijf procent van de gevallen de slot-'n' uitgesproken, zowel in 1935 als in 1993.

In Vlaanderen wordt de strenge norm van het BRT-Nederlands overigens bedreigd, zegt Van Velde. Omdat de kracht van de dialecten afneemt ontstaat er een soort 'tussentaal', een halve vernederlandsing van de dialecten, gebruikt voor de interregionale communicatie, maar ook door ouders die hun kinderen niet meer in het dialect willen opvoeden, maar geen BRT-Nederlands kunnen spreken. De opkomst van de Vlaamse commerciële televisie heeft de status van het BRT-Nederlands ook geen goed gedaan. Van de Velde: “Tijdens mijn studie in Gent sprak ik in de studentencafés ook deze tussentaal. Mijn dialect verstonden de anderen niet, en Standaard-Nederlands spraken we alleen op de universiteit en in andere formele situaties. Maar toen ik eenmaal in Nederland was, was ik het in drie maanden kwijt. Ik kon het niet meer. Het zat niet erg diep.” Voor de taaleenheid tussen Nederland en Vlaanderen zou het volgens Van Velde “een ramp” zijn als de Standaardtaal als hoger ideaal zou worden verlaten, “dan heeft die tussentaal geen maatstaf meer om naar toe te groeien”.

De Vlaming Van de Velde bekent “een haat-liefde-verhouding” te hebben met Nederland. “Ik ga niet meer terug naar Vlaanderen.” Het universitair klimaat in Nederland is veel beter dan het Vlaamse, alleen al om financiële redenen. “Tot voor tien jaar geleden was het hier echt een wetenschappelijk paradijs en nu nog zijn de verschillen groot.” Maar ook veel vooroordelen bleken waar. “Veel Nederlanders zijn inderdaad gierig. De huizen zijn klein. Aan eten wordt niet veel geld besteed. Op vakantie gaan, daar draait het om. En de hypocrisie is groot. In Vlaanderen is alles corrupt, maar dat wordt wel erkend, al keuren we het niet goed. Maar, ook al wordt dat ontkend, is dat in Nederland niet ook zo?