'Cultuuromslag' was geboden bij controle van sociale verzekeringen; CTSV-apparaat wacht een nieuwe reorganisatie

DEN HAAG, 21 MAART. Het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) moet de Algemene Rekenkamer van de sociale zekerheid worden. Met die ambitie stapte CTSV-voorzitter D. van Leeuwen begin januari 1995 haar kantoor in Zoetermeer binnen. Het CTSV moest een gezaghebbend orgaan worden, waar de uitvoerders van volks- of werknemersverzekeringen als de AOW, de WAO en de WW niet omheen konden.

Anders dus dan het instituut dat daarvoor, sinds 1952, de uitvoeringsorganen had gecontroleerd: de Sociale Verzekeringsraad (SVR). Bij zijn “primaire kerntaak”, het toezicht, heeft de SVR “volstrekt gefaald”. Dat was in september 1993 de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie die het functioneren had onderzocht van de organen die met de sociale verzekeringen waren belast. De Tweede Kamer nam deze conclusie over.

Belangenverstrengeling of op zijn minst het vermoeden daarvan. Dit was het probleem dat de politiek met de SVR had. De raad werd in meerderheid bestuurd door vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en vakbonden, de sociale partners dus.

Zij moesten de werkzaamheden controleren die bedrijfsverenigingen en hun uitvoeringsorganen, zoals het GAK, alsmede de sociale fondsen uitvoerden.

Bedrijfsverenigingen, GAK en sociale fondsen waren eveneens in handen van de sociale partners. Bovendien werkten bij de SVR veel personeelsleden, die van de bedrijfsverenigingen of het GAK afkomstig waren. Zo ontstond het beeld van controleurs die zichzelf controleerden. Een ons-kent-ons wereldje in de sociale zekerheid waar wel eens iets door de vingers werd gezien.

Toen het aantal WAO'ers in Nederland gierend uit de hand liep, greep de politiek in. De parlementaire enquête, onder leiding van het toenmalige Tweede-Kamerlid F. Buurmeijer (PVDA), was er een uitvloeisel van.

Dit was het klimaat waarin het CTSV ontstond. Het toezichtmodel, schreef de staatssecretaris van Sociale Zaken, toen nog E. ter Veld, dient “garant te staan voor een onpartijdig toezicht op de uitvoering”. Zij vervolgde: “Zelfs de schijn van vermenging van belangen dient te worden vermeden”. De sociale partners werden bij het toezicht aan de kant geschoven.

Dat namen de diverse organen de politici niet in dank af. Was het niet de wetgever geweest die hen met onuitvoerbare regels had opgezadeld? Was de politiek niet mede-schuldig?

Oud-politici traden aan om het CTSV te leiden. De nieuwe staatssecretaris van Sociale Zaken, R. Linschoten, begon met de aanwijzing van een partijgenoot tot voorzitter van het CTSV. Dat werd voormalig VVD-voorzitter D. van Leeuwen. Vervolgens kwamen G.J. van Otterloo (PVDA) en M. van Rooijen (CDA).

Argwaan viel hen ten deel. A. den Broeder, voormalig kroonlid van de SVR en oud-topambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken, noemde de benoeming van Van Leeuwen nog voor ze haar werkzaamheden was begonnen “een ernstige fout”, omdat ze “geen kennis van de wetgeving en de uitvoering van de sociale zekerheid bezit”.

Een 'cultuuromslag' was nodig bij het CTSV, waarvan de personeelsleden voor het grootste deel van de Sociale Verzekeringsraad afkomstig zijn.

Dat vond het CTSV-bestuur. Bureau Berenschot werd binnengehaald. Directeuren, afkomstig van de SVR, kregen te horen dat ze hun functie zouden verliezen. De term 'directeuren', vond Van Leeuwen, was eigenlijk misplaatst. Het personeel dacht: al weer een reorganisatie. Want ook het apparaat van de Sociale Verzekeringsraad verkeerde al sinds 1983 in permanente staat van reorganisatie.

Het bestuur trok veel te veel macht naar zich toe, bemoeide zich onnodig met het dagelijkse werk, was de opvatting van de medewerkers. Bovendien, dachten ze, hebben die bestuursleden geen verstand van (sociale) verzekeringen. Met de wet in de hand kon het bestuur zeggen dat het voor de dagelijkse leiding was aangesteld en niet voor niets op fulltime basis.

De sfeer verslechterde in hoog tempo. Het uitlekken van rapporten over de Ziektewet, vorig jaar november, was voor de CTSV-leiding reden om de rijksrecherche in te schakelen. Een drama in dezelfde periode werd de komst van E. Czyzewski als nieuwe directeur. Hij werd door het bestuur zelf in het najaar aangetrokken en kon dus niet zijn besmet door de oude SVR-cultuur. Hij moest de eerste man van de directie worden. Czyzewski verwierf in korte tijd gezag bij het personeel en lag binnen dezelfde periode voortdurend overhoop met het bestuur over competentiekwesties. Volgens Czyzewski werden de bestuursleden door de uitvoeringsorganen nauwelijks serieus genomen. Hij signaleerde dat ze niet alleen intern, maar ook extern een slechte naam hebben, zo meldde de ondernemingsraad in januari van dit jaar. De raad concludeerde: “Het bestuur heeft noch kaas gegeten van het terrein van sociale zekerheid, noch van managementsvaardigheden”. Czyzewski vertoonde vervolgens hetzelfde gedrag als de meeste andere directieleden bij het CSTV: hij meldde zich ziek. Medio februari barstte de bom. Het bestuur zegde Czyzewski ontslag aan. De ondernemingsraad zegde het vertrouwen in het bestuur op.

Staatssecretaris Linschoten had zich tot dan publiek niet bemoeid met de CTSV-crisis. Als zelfstandig bestuursorgaan moest dat “zelf de broek ophouden” redeneerde hij. Nu moest hij wel ingrijpen. Hij benoemde de Leidse hoogleraar M. Rood tot tijdelijk adviseur. Het nog vertrouwelijke rapport dat Rood vorige week aan Linschoten overhandigde, bevat veel kritiek op het bestuur.

De politieke druk op het trio om af te treden, nam het afgelopen weekeinde, nadat het rapport-Rood in de ministerraad was besproken, verder toe. Gisteren besloten zij het hoofd te buigen. Het CTSV-apparaat wacht een nieuwe reorganisatie.