Bonn steunt Benelux inzake toekomst EU

DELFT, 21 MAART. Nederland en Duitsland willen dat het Europese parlement nauwer wordt betrokken bij de Intergouvernementele Conferentie over de toekomst van de Europese Unie. Deze begint volgende week in Turijn.

De Duitse minister van buitenlandse zaken Kinkel zei op een persconferentie in Delft vanochtend dat Bonn zich op hoofdlijnen heel goed kan vinden in het Benelux-memorandum over de toekomst van de Europese Unie.

In het Benelux-memorandum wordt gepleit voor een hoog democratisch en communautair gehalte van de toekomstige Europese samenwerking met een krachtige rol van de Commissie en het Europees Parlement en toetsing door het Hof. Kinkel is in Delft in verband met een Nederlands-Duitse conferentie over allochtonenbeleid.

In Turijn wordt begonnen aan de herziening van het verdrag van Maastricht, waar de Europese Unie zich vastlegde op een zogenoemde drie pijler constructie van Europa. Daarin ligt samenwerking op het gebied van veiligheids- en buitenlandse politiek en op het terrein van binnenlandse zaken en justitie verankerd en wordt een aanzet gegeven tot verdieping van de Europese instituties en uitzicht gegeven op uitbreiding van de Unie.

Kinkel gaf aan dat de Duitse regering met Nederland over bepaalde aspecten van het drugsbeleid van mening verschilt, maar dat Bonn zich niet wil mengen in de handelwijze van Nederland. Er zijn indringende medische, justitiële en sociale vragen te beantwoorden als het om het gebruik van drugs gaat, aldus Kinkel. Op het gebied van bestrijding van drugshandel werken Bonn en Den Haag goed samen, vond de Duitse minister.

Kinkel en Van Mierlo waren van mening dat de bilaterale verhoudingen sterk verbeterd zijn. Een belangrijk moment daarbij was de herdenking van vijftig jaar vrede, aldus Van Mierlo. Beiden verheugden zich over het feit dat Duitse en Nederlandse experts nu geregeld samen zullen komen om zich over maatschappelijk relevante kwesties te buigen, waaronder het gebruik van verdovende middelen en de handel daarin. In zijn inleiding zei Kinkel dat hij en Van Mierlo's voorganger Kooymans wakker waren geschud door het onderzoek van het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael onder de Nederlandse jeugd, waaruit bleek dat er een zeer negatief beeld over Duiters bestond.

Van Mierlo noemde nabuurschap een zaak van geografisch en historisch lot, dat zijn eigen spanning oproept. “Immers hoe dichter men op elkaar leeft hoe meer men ertoe geneigd is het anders-zijn van de ander te benadrukken. (...) We zullen er steeds meer aan moeten wennen dat binnen- en buitenlandse politiek naadloos in elkaar overlopen. Naadloos, maar niet probleemloos. Hier verandert de functie van ministers van buitenlandse zaken. Zij staan op de overloop steeds vaker in de functie van masseur in dit proces van actieve buurlandenpolitiek.”