Zes plannen om meer banen te scheppen

De rest van deze eeuw blijft de werkloosheid het belangrijkste economische probleem waarmee kabinet en samenleving kampen. Zelfs bij een economische groei van gemiddeld 2 procent per jaar tot de eeuwwisseling neemt het aantal werkloosheidsuitkeringen toe, namelijk van 795.000 in 1996 tot 859.000 in het jaar 2000. Als de economie wat tegenzit en het beleid niet wordt gewijzigd schiet het aantal werkloosheidsuitkeringen nog voor de eeuwwisseling over het miljoen heen.

Wat kunnen politici, werkgevers en vakbonden doen om de dreiging van stijgende werkloosheid te keren? Ruwweg zijn er zes maatregelen denkbaar: arbeidsduurverkorting, meer investeringen, scholing, loonkostensubsidies, het kwartaire sector scenario (meer banen in de verpleging, de kinderopvang en de criminaliteitsbestrijding) en lagere uitkeringen.

Vice-voorzitter Ella Vogelaar van de grootste vakcentrale FNV en de voorzitter van de grootste werkgeversvereniging VNO, Alexander Rinnooy Kan, over deze zes plannen om meer banen te scheppen.

Ella Vogelaar: 'CPB veel te pessimistisch'

Arbeidsduurverkorting

“Het verzet van de werkgevers tegen de 36-urige werkweek is nog gebaseerd op de vorige arbeidsduurverkorting, tien jaar geleden. De stap van de 40- naar de 38-urige werkweek. Die ging gepaard met veel roostervrije dagen. Als je kijkt wat er nu bij Akzo Nobel en de banken gebeurt, dan zie je dat bedrijven 's avonds en op zaterdag open zijn. Er wordt niet minder, maar juist méér gebruik gemaakt van machines en andere kapitaalgoederen. Daarom zijn de 83.000 extra banen die het Centraal Planbureau in het jaar 2000 voorziet bij een 36-urige werkweek in alle bedrijfstakken aan de magere kant.

“Bij Organon, een dochteronderneming van Akzo Nobel, wordt nu bijvoorbeeld geëxperimenteerd met een 36-urige werkweek. Er komt een machine bij voor het inpakken van anti-conceptie pillen en er is een afspraak gemaakt om op zaterdag te werken. Niks bedrijfstijdverkorting. Het bedrijf is langer open en er wordt méér geproduceerd. Daarom zijn de berekeningen van het Centraal Planbureau veel te pessimistisch. Die gaan uit van een beperking van de produktiecapaciteit. Ga je uit van produktiestijging door langere openingstijden, dan kunnen er aanzienlijk meer banen bijkomen dan de 83.000 waarmee het CPB in het gunstigste geval rekent.

“De werkgevers zitten nog steeds met het sjabloon van een voor iedereen geldende collectieve arbeidsduurverkorting in hun hoofd, waarbij ook de bedrijven eerder dicht gaan. Wij zijn daar echter als FNV al lang van afgestapt. We willen maatwerk, een goede balans tussen wensen van werknemers en de eisen die de bedrijfsvoering stelt.

Als FNV eisen we bij de CAO-onderhandelingen maximaal 4 procent loonruimte op. Daarvan is ten minste 1 procent bestemd voor afspraken over arbeidsduurverkorting. Als werkgevers niet bereid zijn de stap naar de 36-urige werkweek te maken, krijgen ze alsnog een initiële looneis van 4 procent voor hun kiezen. Die 4 procent is al gematigd. De winstcijfers van alle bedrijven zijn fenomenaal. We gaan dan niet zeggen: laat die 1 procent maar schieten. Of de werkgevers nu wel of niet over 36 uur willen praten maakt niet uit voor de loonkostendiscussie. Die krijg je toch!”Meer investeringen“De winsten gaan voor een belangrijk deel naar de aandeelhouders en worden onvoldoende omgezet in investeringen. Hier zijn de werkgevers als eerste aan zet. Werkgevers zijn lui. Ze investeren de winsten die ze hier dank zij onze gematigde loonontwikkeling behalen in het buitenland. We zien onvoldoende banen voor onze loonmatiging terug. Dat moet ophouden.”

Meer scholing

“Onder investeren versta ik ook het opleiden en scholen van werknemers. In de praktijk worden wel afspraken gemaakt over het recht op een aantal dagen scholing en het betalen van de opleiding door de werkgever. Problemen ontstaan er altijd over de vervanging van werknemers die deelnemen aan langdurige scholingstrajecten. In Duitsland bestaat een veel sterkere oriëntatie op scholing en vakmanschap dan hier. Werkgevers hier kermen te veel. Ze rekenen voor dat ze 3,5 miljard gulden - 1,7 procent van de arbeidskosten - aan opleidingen voor werknemers besteden, maar zeggen daar niet bij dat daar met name de hoger opgeleiden van profiteren. Maar één op de vijf cursussen is beschikbaar voor mensen die een lagere opleiding hebben genoten dan het MBO of 4 jaar HAVO/VWO, terwijl 43 procent van de beroepsbevolking niet boven dat niveau uitkomt. Voor managers betalen de werkgevers grif 1295 gulden exclusief BTW voor een dagje verhalen aanhoren in een luxe congrescentrum. De grote bulk van die 3,5 miljard bestaat bovendien uit gederfde loonkosten en heeft niets met scholing te maken.

“Dit wordt het thema voor de komende jaren. Er gebeurt wel iets. Zo is er per 1 januari een fiscale maatregel waarbij werkgevers 4500 gulden kunnen krijgen voor elke leerling in het leerlingwezen. Dat is een leuke premie, maar er staat wel de eis tegenover dat deze leerlingen niet meer dan 130 procent van het minimumloon mogen verdienen.” Loonkostensubsidies “Minister Melkert probeert met loonkostensubsidies langdurig werklozen en moeilijk plaatsbaren terug te brengen in het arbeidsproces. Dat is ook nodig, want werkgevers kiezen meestal voor de nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Aan werklozen zit een vlekje, vinden ze. Met loonkostensubsidies geef je ze een financiële prikkel om werklozen wèl nieuwe kansen te geven. Nadeel van de loonkostensubsidies van Melkert is dat er niet automatisch scholing bijhoort. Dat zou wel moeten.”

Kwartaire sector

“De veertigduizend banen van Melkert vormen in feite een uitbreiding van de collectieve sector. Het mag van de VVD alleen niet zo heten. Toch betekenen die 40.000 banen dat er meer mensen worden ingezet in de verpleging, voor de veiligheid op straat, en bij de kinderopvang. Ook in de marktsector zou er best wat meer creativiteit opgebracht kunnen worden, zoals in het verzekeringsbedrijf. Daar gaan banen verloren door automatisering. Om toch iets aan werkgelegenheid te doen is er een project gekomen om meer mensen in de bewaking aan te stellen. Er wordt ingeleverd ten behoeve van banen buiten de verzekeringssector.”

Lagere uitkeringen

“Het Centraal Planbureau heeft uitgerekend dat het achterblijven van de uitkeringen bij de gemiddelde lonen in de marktsector nauwelijks extra banen oplevert. Het leidt namelijk tot uitval van koopkracht en dus tot minder vraag naar produkten en diensten. Daar zien wij dus niets in.”

Alexander Rinnooy Kan: 'CPB heeft me verbaasd'

Arbeidsduurverkorting

“Bij arbeidsduurverkorting zet je meer mensen aan het werk in kleinere baantjes. Als land heb je daardoor te maken met een nationale verarming, waarover je onmogelijk enthousiast kunt zijn. Ik was verbaasd door de studie van het Centraal Planbureau, waaruit blijkt dat het totale aantal banen door de introductie van een 36-urige werkweek toeneemt.

“Die berekeningen blijken gebaseerd te zijn op een aantal heroïsche veronderstellingen. Zo wordt bijvoorbeeld uitgegaan van een verborgen arbeidsreserve. Korter werken, zo luidt de redenering, leidt tot een efficiënter gebruik van de aanwezige arbeidskracht, waardoor de produktie per werkende flink stijgt: afhankelijk van de gekozen variant met 10 procent of een derde, waardoor de kosten zouden meevallen. Dat is irreëel. De meeste bedrijven hebben eventuele arbeidsreserves al lang weggesaneerd.

“Als het Centraal Planbureau te somber is met de aanname dat de produktiecapaciteit vermindert, zoals Vogelaar beweert, dan is het te optimistisch met de veronderstelling dat de arbeidsproduktiviteit sterk zal toenemen. Als je dat pessimisme tegen het optimisme wegstreept, blijf je zitten met het gegeven dat de produktie in de marktsector in ieder geval omlaag gaat. Bij een 36-urige werkweek heb je meer mensen aan de slag om een kleinere koek te produceren. Het is verdeling van armoede in plaats van welvaart.

“In het verleden is in brede zin voortdurend sprake geweest van arbeidsduurverkorting, maar die was altijd het effect van méér welvaart. Nu wordt gepleit voor het inzetten van dit middel als instrument voor het creëren van meer banen. Daar zijn wij erg cynisch over. Vooral als de vakbeweging zegt dat werknemers er geen netto loon voor willen inleveren. Daarmee vervalt het gunstige scenario van het CPB.

“Twee uur korter werken betekent een loonkostenstijging per uur van 6 procent. Als de vakbeweging daar bovenop nog eens 4 procent loonruimte claimt, dan zit je al op 10 procent loonkostenstijging. Dat is de sprong die de Duitse vakbeweging twee jaar geleden maakte en waar men nu buitengewoon veel spijt van heeft.

“Vogelaar zegt dat ze voor maatwerk is. Maar ik heb FNV-voorzitter Johan Stekelenburg horen zeggen dat de FNV de 36-urige werkweek het liefst invult met vier werkdagen van negen uur. Dat is een stereotype wat haaks staat op die maatvoering, waarover op zich best te praten is. De vrije vrijdagmiddag zou wel eens de enige manier kunnen zijn waarop de vakbeweging haar leden mee kan krijgen voor een 36-urige werkweek. Het animo om korter te werken op voortdurend wisselende tijden is niet zo groot, heb ik vernomen van werkgevers in de metaal en van Philips.”

Meer investeringen

“Dat de winsten vooral naar de aandeelhouders zouden gaan zou moeten blijken uit de arbeidsinkomensquote. Dat is het aandeel van het arbeidsinkomen in het totale bedrijfsinkomen. Dat zou dan flink moeten dalen. In de berekeningen van het CPB vind je daar maar bitter weinig van terug. Van de 4 procent lagere arbeidsinkomensquote die het kabinet bij haar aantreden in het vooruitzicht stelde wordt maar 0,25 procent gerealiseerd. Hoe goed het ook gaat ten opzichte van een paar jaar geleden, we raken niet aan de rendementen van eind jaren tachtig. Die waren een stuk hoger. Dat is één van de redenen waarom de investeringen wat achterblijven. Het zou beter moeten gaan.

“Ik ben dus niet zo onder de indruk van de metafoor dat de werknemers bloeden, terwijl ondernemers dikke winsten opstrijken. De koopkracht ontwikkelt zich beter dan bij de tot stand koming van het kabinet werd gedacht, terwijl de winsten juist achterblijven.

“Je hoort nu wel praten over suffende en slaperige ondernemers, die niet investeren. Mensen die dat zeggen vragen zich kennelijk onvoldoende af waar de buitenlandse ondernemers blijven. Die zitten kennelijk ook te suffen en te slapen. Het verwijt dat Nederlandse ondernemers te weinig hier investeren mist het cruciale punt: Nederland wordt door alle investeerders - binnen- en buitenlandse - niet interessant genoeg geacht voor met name investeringen in de industrie. In technologisch opzicht vormen wij kennelijk een onvoldoende uitdagende omgeving. Het enige wat we dan kunnen doen is zo goed mogelijke condities scheppen. We moeten van Nederland een aantrekkelijk land maken om in te investeren. En vervolgens kunnen we niets anders doen dan afwachten in welke mate ondernemers daar gebruik van maken.”

Meer scholing

“Hierover ben ik het met Vogelaar eens. Meer scholing is voor de Nederlandse economie essentieel. We hebben de scholingsinspanningen niet goed over alle categorieën werknemers verdeeld.

“Met name laagbetaalden en ouderen zijn onderbedeeld, terwijl juist voor de ouderen een aantal traditionele ontsnappingsroutes - VUT, WAO - minder aantrekkelijk wordt. We zouden op dit punt samen met de vakbeweging een extra inspanning moeten leveren, met name waar het gaat om het leerlingwezen.

“Bij het leerlingwezen kampen we met twee steeds terugkerende problemen: de conjunctuurgevoeligheid en het slechte imago. Als het goed gaat met de economie klagen werkgevers in bijvoorbeeld de metaal- en elektrotechnische industrie dat ze niet de vakmensen kunnen krijgen die ze nodig hebben. Als het dan weer wat slechter gaat, wordt er onvoldoende aandacht aan de opleiding van vakmensen besteed. De bekende varkenscyclus. Verder heeft het leerlingwezen te kampen met het feit dat het kennelijk onaantrekkelijk overkomt op leerlingen en hun ouders. Ze gaan liever naar de Mavo, hoewel de arbeidsmarktkansen met zo'n diploma geringer zijn.”

Loonkostensubsidies

“Klinkt aardig, maar ondernemers gaan er niet voor, zo blijkt. Of iemand is goed en dan betaal je daar ook voor, of iemand is niet goed en dan wil je hem niet hebben. Loonkostensubsidies gaan nog steeds uit van de illusie dat de samenleving maakbaar is. De praktijk is echter weerbarstig. Er is een lange lijst van hele en halve mislukkingen als het om subsidies gaat”.

Kwartaire sector

“Binnen de grenzen die zijn gesteld aan het beslag van de collectieve sector op de totale middelen heb ik geen problemen met extra inspanningen op het gebied van onderwijs, zorg en veiligheid op straat. Het betreft hier legitieme overheidstaken. Voor de oplossing van het werkloosheidsprobleem moeten we het daar echter niet van hebben. Dit scenario verwijst naar de zonden uit het verleden. Van Melkert één tot en met negentien zal het niet komen, met alle respect voor alle goede intenties. Kijk eens naar de moeite die het kost om al die Melkertbanen bezet te krijgen. Bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf in Amsterdam hebben ze van de 15.000 potentiële kandidaten voor 700 arbeidsplaatsen 300 mensen werkelijk kunnen plaatsen.”

Lagere uitkeringen

“Het is niet alleen maar borrelpraat over mensen die feestelijk thuis zitten met een uitkering en af en toe wat bijklussen. Het is bizar dat we een controleapparaat hebben om te verifiëren of mensen niet thuis zitten te niksen. We moeten mensen niet weghouden van de arbeidsmarkt, maar moeten iedereen stimuleren naar eigen talent, initiatief en vermogen deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Als iemand daarmee minder verdient dan wat politici als sociaal minimum hebben aangemerkt, dan moet de sociale dienst maar een aanvulling op het loon geven.

“Onze doelstelling is niet om de uitkeringen flink omlaag te krijgen. We willen alleen aan iedereen de plicht opleggen om naar vermogen bij te dragen. Dat kan alleen als de band tussen behoefte en prestatie wordt doorgesneden. Het CDA heeft als eerste politieke partij de draai gemaakt door de band tussen behoefte en prestatie - de netto netto koppeling - door te snijden. Volgens mij hoort die benadering in elk werkgelegenheidsverhaal thuis.”