Vermeer past ook best op een baseballpetje

Zelden hoor je iemand zulke klare taal spreken over de functie van de kunst in onze maatschappij als de zakelijk directeur van het Mauritshuis, de heer F. van Koetsveld. Naar aanleiding van de Vermeer-tentoonstelling omschreef hij in deze krant (24 februari) zijn museum als “een dienstverlenend bedrijf” op “de cultureel-recreatieve markt”, “met de zeventiende-eeuwse kunst als core-business”. “De concurrentie op de cultureel-recreatieve markt is de afgelopen tien jaar sterk toegenomen en je zult je moeten aanpassen aan de wensen van de consument.” Dat laatste doe je door de expositie “aan te kleden”, “bijvoorbeeld met de verkoop van souvenirs, catringfaciliteiten en zaken als een Vermeer-ontbijt”. Onder die souvenirs vallen zijden sjaals met reproducties naar Vermeer, maar “baseballpetjes met een Vermeer-afbeelding zult u hier niet aantreffen”, aldus de heer Van Koetsveld.

Waarom sjaals en Vermeer-ontbijten wèl kunnen en baseballpetjes met Gezicht op Delft niet, valt niet helemaal te begrijpen, maar voor de rest laat dit betoog, marktfilosofich gesproken, weinig te wensen over. Het blijft alleen verwonderlijk dat zo'n aan de eisen des tijds aangepast iemand zo'n achterhaald kunstbegrip hanteert. Bij mijn eerste bezoek aan het Louvre, lang geleden, werd ik ter hoogte van de Mona Lisa aangesproken door een Amerikaan. (In die tijd herkende je Amerikanen nog aan hun gewoonte om in fantasiehemd en shorts de Europese cultuurpaleizen binnen te wandelen om te zien wat hun GI's nu eigenlijk bevrijd hadden.) “Are all these pictures genuine?”, vroeg de Amerikaan. En op mijn wat verbouwereerde antwoord dat ik dacht van wel: “Then they must be invaluable - invaluable!” De correcte reactie van een consument anno dazumal, die voor zijn entreegeld de authentieke substantie verwachtte. Maar tegenwoordig denken we toch niet meer dat 'kunst' identiek is met lappen linnen waarop iemand in al dan niet voorbije eeuwen verf heeft gesmeerd? Wat de komende en gaande directeuren van het Stedelijk hebben gesteld in de affaire Goldman-Newreyer is blijkbaar aan de heer Van Koetsveld voorbijgegaan: het gaat in kunst om het concept, en of iemand dat met een roller of een kwast realiseert en iets meer vermiljoen dan wel karmijn in zijn rood stopt - dat doet aan de 'essentie' van de kunst niets af of toe. Dan hebben die bezoekers, die à raison van circa honderd gulden een sjaal met reproducties mee naar huis nemen, het beter begrepen dan de zakelijk directeur van het Mauritshuis.

Exposities van werelberoemde kunstenaars zijn vrijwel niet meer te realiseren door de astronomische transport- en verzekeringskosten. Maar dat geldt alleen zolang je als organisator blijft hechten aan the real stuff. En wie hecht in onze gemediatiseerde tijd nog waarde aan the real stuff? Je kunt tegenwoordig prachtige reproducties laten maken tegen een fractie van de kosten die de firma's Gerlach en Van Kralingen moeten berekenen om de originelen ongeschonden naar je museum te brengen. Toegegeven: dat is een oplossing waar niemand, die vandaag de dag als consument wil meetellen, genoegen mee hoeft te nemen. Om zich afdoende te profileren tegenover de concurrentie op de cultureel-recreatieve markt moet het Mauritshuis de schilderijen op zijn minst vervangen door computer-animatie. Het Gezicht op Delft bij verschillende weersomstandigheden, in lente, zomer, hefst en winter, met Vivaldi op de soundtrack. De Vier Jaargetijden dateren weliswaar van lang na de dood van Vermeer, maar de consument kent ze uit de supermarkt en wat zo vertrouwd in de oren klinkt zal zeker helpen om een breed publiek nader tot de schilder te brengen.

Nog beter, en als toegang tot Vermeers diepste bedoelingen efficiënter, werkt het natuurlijk wanneer het brede publiek door middel van Virtual Reality letterlijk in de schilderijen kan doordringen. Geholpen door een slim scenarioschrijver kan het De Brief meebeleven als een scène uit een zeventiende-eeuws Goede Tijden Slechte Tijden: eindelijk komen we te weten wat er in die brief staat, die Vermeer zo zorgvuldig verzegeld heeft weergegeven, en wat die uitwisseling van van veelzeggende blikken tussen luitspeelster en dienstmeid en betekenen heeft. Meer nog: dankzij de techniek verhindert geen gordijn of deurpost ons meer, te zien wat Vermeer allemaal niet geschilderd heeft. Langs het Melkmeisje heen stappen we binnen bij de Vrouw met parelsnoer; van kamer naar kamer wandelend ontmoeten we al die andere figuren, bewegend, sprekend en Sweelinck spelend op het spinet, die nu in het Mauritshuis aan de muren hangen in de povere statische gedaante waarin Vermeer ze op het doek heeft gezet. Het parcours eindigt in het atelier, waar we de schilder en zijn model aantreffen en waar Vermeer, dankzij een ludieke ingreep van de VR-scenarist, de Emmausgangers van Van Meegeren zit te schilderen.

Om een tentoonstelling als deze rendabel te houden, zijn grote aantallen bezoekers nodig. Waneer die allemaal met helm op en handschoenen aan hun VR-parcours lopen, leidt dat mogelijk tot verkeersproblemen. Maar wie zegt dat het tentoonstellingsbezoek in virtuele vorm zich in het Mauritshuis moet afspelen? Eenmaal in VR-outfit, worden de bezoekers via een slimme slurf het gebouw uit geleid naar een tent zoals nu in de Hofvijver gebouwd om het restaurant onderdak te brengen. De bijzondere, intieme ambiance van het Mauritshuis komt veel beter tot haar recht zonder al die schilderijen erin, die zonodig bekeken moeten worden. Het gebouw leent zich uitstekend voor de 'cateringfaciliteiten': een exclusief restaurant waar je als sponsor je relaties kunt onthalen op een exclusief Vermeer-diner bij kaarslicht, aan tafels gedekt 'in de kleuren van het tafelkleed dat te zien is op het schilderij Het slapende meisje, net als die zijden sjaals. Vermeer draait zich daar niet voor om in zijn graf; volgens de overlevering zat hij zelf in de catering business.

De enigen die bij deze aanpak niet aan hun trekken komen zijn degenen die een schilderij graag lang en grondig bekijken en daarbij ook nog zeker willen zijn dat hetgeen ze vóór zich zien, hoezeer ook aangetast door tijd en restauraties, letterlijk uit de handen is gekomen van de kunstenaar wiens naam eraan verbonden is. Maar die zijn nu ook al aangewezen op een vriendje binnen het museum, dat hen buiten de officiële bezoekuren via de dienstingang binnenlaat.