Op afstand

DE GOUDEN HANDDRUK wordt zo langzamerhand een wekelijks terugkerend onderwerp in de Tweede Kamer. Gisteren was het zelfs dubbel raak. Terwijl in de vergaderzaal de afvloeiingsregeling voor twee leden van de raad van bestuur van het Verenigd Streekvervoer Nederland over de hekel ging, namen politici buiten de zaal een voorschot op de mogelijke vertrekpremie van bestuursleden van het College van toezicht sociale verzekeringen. Het is een discussie van veel valse tranen, waarbij vooral de woorden 'niet uit te leggen' veelvuldig vallen.

Hoezo uitleggen? Is er de afgelopen jaren niet bewust gekozen voor een grootscheepse verzelfstandiging dan wel privatisering van overheidsbedrijven? Dat leidt er toe dat de politiek strikt genomen niet zo veel meer hoeft uit te leggen, wegens het simpele feit dat er geen directe verantwoordelijkheid meer is. Het is deze relativering die zo jammerlijk ontbreekt in de politieke commotie over afkoopsommen en die de ophef dan ook vaak iets ranzigs geeft.

Het is heel gemakkelijk schande te spreken over de hoogte van de getroffen afvloeiingsregelingen. Zeker wanneer zoals gisteren veelvuldig gebeurde ook nog een verband wordt gelegd met het massa-ontslag bij Fokker (waar niet eens geld was voor een sociaal plan), is elke poging tot verdediging al bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Toch blijft het ook hier zaak alles in zijn proporties te bezien.

DAN BLIJKT ER bijvoorbeeld een verschil tussen de regeling die minister Sorgdrager (Justitie) indertijd heeft getroffen met de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck en het afkoopbedrag dat de commissarissen van de VSN-groep met twee leden van de raad van bestuur zijn overeengekomen. In het eerste geval was de minister verantwoordelijk en dus aanspreekbaar. Maar de streekvervoerders vormen een structuurvennootschap waarover de politiek geen directe zeggenschap heeft. Dat de overheid het aandelenkapitaal voor de volle honderd procent bezit doet daar niets aan af. Dan had er indertijd voor een andere constructie gekozen moeten worden.

Iets anders is of verzelfstandigde en geprivatiseerde overheidsbedrijven niet erg selectief te werk gaan als het gaat om marktconform optreden. Vaak blijkt het marktdenken zich in eerste instantie voornamelijk te beperken tot de arbeidsvoorwaarden, en wordt het afschaffen van het monopoloïde karakter van het bedrijf veel minder snel aangepakt. Bovendien kan de vraag worden gesteld in hoeverre er sprake moet zijn van marktconforme salarissen en dito afvloeiingsregelingen als er in feite slechts sprake is van verzelfstandigde ambtenaren of bestuurders.

DAT ER DE LAATSTE jaren veel mis is gegaan bij de operatie 'overheid op afstand' is ontegenzeggelijk waar. De Algemene Rekenkamer wees daar vorig jaar al op. Een herbezinning door de politiek is dan ook zeker wenselijk. Maar die afweging gaat veel verder dan een gouden handdruk.