Netelenbos gooit vijftien miljoen over de balk

Staatssecretaris Netelenbos wil alle vierjarigen laten toetsen, om erachter te komen welke kleuters achterlopen in hun ontwikkeling. Maar volgens Sietske Bongenaar en Lijgien Bos weten we dat allang. Belangrijker is de vraag hoe die achterstanden worden weggewerkt.

Staatssecretaris Netelenbos van onderwijs heeft het “ongemakkelijke gevoel” dat de 400 miljoen die zij jaarlijks uitgeeft aan het bestrijden van achterstanden bij kinderen in het basisonderwijs weinig oplevert, zei ze in de Volkskrant (28 februari). Ze wil daarom nu alle vierjarigen (200.000 kinderen per jaar) laten onderzoeken door middel van toetsen en langdurige observaties. De kosten hiervan worden geschat op vijftien miljoen. Netelenbos denkt dat toetsing hét middel is om te ontdekken welk onderwijs bij welke leerling past. Zij hoopt dat de scholen door het testen van de kinderen het geld alleen nog uitgeven aan die kinderen die een achterstand hebben.

Op dit moment wordt de vierhonderd miljoen over de scholen verdeeld volgens de zogenaamde gewichtenregeling. Scholen krijgen formatie toegekend op grond van het totaal aantal leerlingen, waarbij leerlingen van wie de ouders niet in Nederland zijn geboren bijna tweemaal zoveel (1,9 maal) 'wegen' als Nederlandse leerlingen met hoog opgeleide ouders. Nederlandse leerlingen van ouders met een lage opleiding 'wegen' 1,25 maal. Het extra geld wordt nu in de helft van de gevallen gebruikt voor het verkleinen van de klassen. Netelenbos heeft net als wij, de indruk dat dit geen adequate oplossing is voor het bestrijden van de achterstanden. In een groep van vijftien tot twintig leerlingen heeft een leerkracht namelijk nog steeds te weinig tijd om het onderwijs voldoende af te stemmen op individuen. Zij zoekt terecht naar een andere manier om het geld te besteden. Naar ons idee is het echter onnodig opnieuw te onderzoeken welke kinderen een achterstand hebben.

Zoals staatssecretaris Netelenbos in het interview al aangeeft is de taalachterstand een van de grootste hindernissen die leerlingen in het basisonderwijs ondervinden. Het is allang bekend dat allochtone kleuters op het moment dat ze op school komen, niet of nauwelijks Nederlands spreken en dat ook veel Nederlandse kinderen van ouders met een lage opleiding een taalachterstand hebben. Uit de testen die de staatssecretaris nu wil afnemen zal ongetwijfeld naar voren komen dat de kinderen die een achterstand hebben, dezelfde leerlingen zijn die nu respectievelijk 1,9 en 1,25 maal 'wegen'. Na deze operatie van vijftien miljoen belandt mevrouw Netelenbos dus weer op hetzelfde punt als waar zij zich momenteel bevindt. Zij heeft dan echter nog steeds geen adequate oplossing voor de bestrijding van de achterstanden. Het is dus niet de vraag aan welke kinderen het extra geld besteed moet worden, maar hoe het besteed moet worden.

De staatssecretaris zou er goed aan doen zich te verdiepen in beschikbare onderzoeksresultaten op het gebied van taalonderwijs in meertalige groepen. Daaruit blijkt onder andere dat het regelmatig werken met groepjes van vijf à zes leerlingen effectief is voor het stimuleren van de taalontwikkeling, omdat de leerkracht haar taalgebruik in een dergelijke situatie beter op de individuele leerlingen kan afstemmen. Uit door ons uitgevoerd onderzoek, dat nota bene door het ministerie van Onderwijs zelf wordt gefinancierd, blijkt echter dat het lesgeven in kleine groepjes vaak niet gerealiseerd wordt. Hierdoor worden namelijk dikwijls extra leerkrachten ingezet, maar zij zijn de eersten die hun lessen moeten opgeven als er zieke groepsleerkrachten vervangen moeten worden. De leerlingen voor wie het extra geld bedoeld is, worden hierdoor direct benadeeld. De vierhonderd miljoen zou dus geoormerkt moeten worden, zodat geregeld wordt dat extra leerkrachten onder alle omstandigheden hun lessen ten behoeve van kinderen met een achterstand kunnen blijven geven. Als bovendien in de toekomst de zogenaamde klasse-assistenten ingezet worden, hebben groepsleerkrachten de gelegenheid zelf hun leerlingen te observeren, te toetsen en extra begeleiding te geven. Op deze wijze kunnen zij niet alleen achterhalen welke onderwijsaanpak bij welke leerling past, maar dit ook daadwerkelijk realiseren. Zo kunnen zowel de taalachterstand als andere achterstanden op doeltreffende wijze aangepakt worden, zonder dat de scholen overspoeld worden door observatoren en testafnemers van buitenaf.

Mevrouw Netelenbos moet dus niet alleen hopen dat de scholen het geld niet langer besteden aan klasseverkleining, maar maatregelen treffen die dit garanderen, zodat de kinderen met een achterstand niet langer de dupe worden van inefficiënt gebruik van het voor hen bedoelde geld.