De wereld van de tv-thriller

Afgelopen zondag zond de KRO de laatste aflevering uit van het drieluik Master of the Moor, onderdeel van de Engelse 'Ruth Rendell Mysteries'. Het was door de nogal vergezochte ontknoping geen perfecte thriller, maar toch viel er wat betreft regie en acteerprestaties weer veel te genieten. Op de een of andere manier slagen de Engelsen er steeds weer in op dit gebied amusement van het hoogste niveau af te leveren.

Wie dit seizoen Helen Mirren zag schitteren als politie-inspecteur Jane Tennison in Prime Suspect, zal weten wat ik bedoel. Als je haar eenmaal in actie hebt gezien, kan de werkelijkheid, met in de hoofdrol hoofdcommissaris Nordholt en voorlichter Wilting, alleen maar zwaar tegenvallen. Dat gedoe met die doorgeleverde stuff, en die Haarlemse sjoemelaars met hun sapmannetje - daar zou Helen voortvarend een einde aan hebben gemaakt.

Een andere interessante Engelse misdaadserie was Cracker, tot voor kort op zondagavond uitgezonden door RTL 5. Ik ontdekte die serie eigenlijk te laat - ze werd al drie seizoenen uitgezonden - omdat ik steeds had aangenomen dat het om een routineus produkt ging. Dat is het noodlot van een station dat niet afkerig is van pulp: de uitzendingen met kwaliteit zullen minder snel herkend worden.

Cracker was bijzonder door de figuur van de lijvige inspecteur Fitz, indringend gespeeld door Robbie Coltrane. Fitz, afgestudeerd psycholoog, was een moderne versie van Sherlock Holmes: even briljant als bizar, en drijvend op een zelden falende intuïtie. Een groot cynicus ook, die Fitz, iemand die weinig illusies meer had over de menselijke soort. Daar was, ook wat zijn eigen persoon betrof, alle reden voor, want Fitz maakte van zijn privé-leven een rotzooitje. Hij begeerde andere vrouwen en verwaarloosde zijn gezin.

In de laatste aflevering vroeg zijn vrouw: “Je hebt gezegd dat je voor je kinderen zou sterven, maar zou je ook voor mij sterven?” Fitz trok aan zijn sigaret en wendde zich peinzend af. Hij bleef het antwoord schuldig. Rook Fitz onraad? Ging hij weer eens af op zijn onovertrefbare intuïtie? Het moet wel. Wij als kijkers wisten in ieder geval méér dan Fitz, namelijk dat zijn vrouw bezig was hem te bedriegen met zijn broer.

Ook omdat Fitz zelf psycholoog was, zat er veel psychologie van de koude grond in deze serie, maar dat geeft niet - het hoort een beetje bij het genre. Zo heb ik hartelijk moeten lachen om het psychologische motief van een jonge vrouw, die mannen vermoordde die haar eerder hadden afgewezen. Zij bleek uit een incest-gezin afkomstig waar zij als enige niet was misbruikt door haar vader. Zij was een te sterk karakter voor haar vader, hij was bang voor haar en gaf haar daarom geen aandacht. Dit was, volgens Fitz, de oorzaak van haar trauma en de oorsprong van haar latere wraak op mannen. Als ik Fitz goed heb begrepen, was het beter geweest als ze in haar jeugd wèl was misbruikt - het zou later in ieder geval slachtoffers hebben gescheeld. Fitz als de nieuwe Freud!

Cracker was in Engeland geen onomstreden serie. Er zat nogal wat seks en geweld in - hoewel bescheiden in vergelijking met de gemiddelde bioscoopfilm - en Fitz kon heel kritisch zijn over de Engelse samenleving. Tegen voornoemde moordenares zei Fitz bijvoorbeeld: “Thatcher heeft een hele generatie jongeren kapotgemaakt, daar ben jij nog maar een amateur bij.”

De makke van Engelse misdaadseries is nog wel eens dat ze iets te literair zijn, de scenarioschrijvers willen niet graag de indruk wekken dat ze van de straat zijn. De Amerikanen hebben daar minder last van. Zij confronteren je beter met de rauwe realiteit van politie en advocatuur. Daarom gaat mijn voorkeur uit naar series als New York Police Department Blue, dat op vrijdagavond helaas moest wijken voor de ziekenhuisserie ER, maar dit jaar vermoedelijk bij de NCRV terugkeert.

Als liefhebber van het genre voel ik me, merkwaardig genoeg, de laatste jaren beter bediend door de televisie dan door de bioscoop. Spannende thrillers waarbij je je als kijker kunt identificeren met speurder, dader of slachtoffer (of, nog mooier, alledrie) zijn in de bioscoop een schaars goed geworden. Ik bedoel films als Bullit, Chinatown, Klute, The French Connection en - van jongere datum - Dead calm en Sea of love. Dat zijn de films waar de makers van al die goede misdaadseries de kunst van hebben afgekeken.

De tegenwoordige bioscoopthriller moet het meer hebben van actie, spectaculaire effecten, bloedig geweld. De handelingen voltrekken zich zó snel dat je als kijker de greep op de plot verliest. De filmer kan je alles wijsmaken, hij walst je plat in zijn moordende tempo.

Ik zag onlangs The usual suspects, een door de filmkritiek luidbejubelde Amerikaanse thriller. Knap gefilmd, zeker, maar voor mij bleef het een koude, steriele film, met karakters waarin ik niet kon geloven en plotontwikkelingen waaraan op den duur geen touw meer vast te knopen was. Zelfs bij de simpelste gewelddadige confrontatie zat ik me vertwijfeld af te vragen wie nou eigenlijk op wie schoot. Je moet hem minstens twee keer zien, hield iemand me voor, maar ik ben ouderwets in die dingen: één keer moet genoeg zijn.

Zittend in die bioscoop, werd ik overweldigd door een verlammend heimwee naar de wereld van Fitz en de stugge mannen van New York Police Department Blue. Zolang zij er zijn, kunnen wij rustig gaan slapen.