'De jurk': weerbarstige en bevrijdende nieuwe film van Alex van Warmerdam; Op het spoor van een fris zomerkatoentje

De jurk. Regie: Alex van Warmerdam. Met: Henri Garcin, Alex van Warmerdam, Ariane Schluter, Olga Zuiderhoek, Ricky Koole. In: 20 theaters.

Afgelopen zondag, hoorde ik op de radio, gijzelde een man in Montpellier drie mensen omdat hij behoefte had eens over zijn problemen te praten. Het incident zou goed gepast hebben in De jurk, de derde film van Alex van Warmerdam; het grimmige realisme waartoe de maker van de meer absurde komedies Abel (1986) en De noorderlingen (1991) zich nu lijkt te hebben bekeerd, is niet alleen een kwestie van de ontwikkeling van Van Warmerdam als filmmaker.

Ook de wereld beweegt zich in de richting van zijn laconiek geconstateerde cumulatie van alledaagse rampspoed en intermenselijke onmacht. Alle anekdotes in de film, die een zomerjurk volgt van de katoenoogst tot na het tot stof wederkeren van het kledingstuk en zijn laatste draagster, zouden echt gebeurd kunnen zijn. De kunstenaar verdicht ze alleen maar tot geconcentreerde flarden, maar het is denkbaar dat de vernietigende tirade waarmee een stewardess afscheid neemt van haar geliefde tot twee keer toe onderbroken wordt door een telefoontje van zijn opdrachtgever, met de strekking dat zijn dessins voor de zomercollectie nergens naar lijken.

Voor de toeschouwer is het even wennen: niet eens zozeer aan de fragmentarische structuur van de vertelling, die steeds voortijdig afscheid neemt van een personage als de jurk door het lot van eigenaar wisselt, of zelfs niet aan de overdaad van ellende, die de enige twee min of meer bevredigende relaties in de film door de dood laat opbreken. Het grootste probleem is de afwezigheid van formele absurditeit, de strakke kunstmatigheid die in Abel en De noorderlingen de kijker geruststelde dat het maar een film was.

Van Warmerdam en zijn vaste cameraman Marc Felperlaan namen afscheid van de theatrale controle, die het werken in de studio hen tot nu toe bood. De jurk is grotendeels op locatie opgenomen en kiest voor kale eenvoud van mise-en-scène en cameravoering. Van Warmerdam betreedt het terrein van de 'echte' film, hij heeft zich 'bevrijd van het dwangbuis van de studioregie' zoals hij zelf ook vindt; De jurk lijkt eerder op de documentaire verfilming van een scenario dan op een door het storyboard gedicteerde stijloefening.

Bij de tweede keer kijken naar De jurk verdween mijn aanvankelijke reserve. Minder charmant en dierbaar dan de eerste twee films, markeert De jurk de overgang van Van Warmerdam naar de status van een 'echte' filmregisseur, waarschijnlijk de meest getalenteerde die er op dit moment in Nederland rondloopt.

Twee personages kruisen bij herhaling in Van Warmerdams 'vrolijke verhalen' (zo noemt de eerste draagster van de japon de prietpraat van haar visite) het pad van de jurk. De ene is een ontroerende oudere man (Henri Garcin), wiens maatschappelijke positie in een neerwaartse spiraal terechtkomt, en als clochard zijn droom van een tongzoen eindelijk verwezenlijken kan. De andere wordt vertolkt door de regisseur: een conducteur die hitsig wordt van de jurk, omdat er een meisje in zit. Hij wil bezitten en controleren en vernietigt aan het slot symbolisch een kunstwerk, het enige dat na de onafwendbare fysieke ondergang van het stuk textiel beklijft. Overmeesterd door museumsuppoosten herhaalt hij wanhopig zijn standaardzinnetje: “Ik ben normaal!”

Van Warmerdam heeft een hekel aan psychologische interpretaties van zijn werk, en al helemaal van de door hem vertolkte personages. Maar zijn vereenzelviging met de conducteur, die door schade en schande ontdekt dat je schoonheid niet kunt beheersen en consumeren, zoals normaal gevonden wordt, is geen toeval. De jurk is een weerbarstige en bevrijdende film, waarin vrijwel alle acteurs voor het eerst bij Van Warmerdam in zeer kort bestek tot leven komen; het zou, zeker in het buitenland, waar men nog relatief weinig gehinderd wordt door vertedering om de eerste twee films, wel eens een groot succes kunnen worden.