Besprekingen over vrede in Chiapas slepen zich voort

In het dorpje San Andrés Larráinzar, in het hooggebergte van de Zuidmexicaanse staat Chiapas, is vorige week de jongste ronde gehouden in de vredesbesprekingen tussen de Mexicaanse federale overheid en het Zapatistische Leger van Nationale Bevrijding (EZLN). Slechts op deelgebieden is overeenstemming bereikt tussen de partijen.

SAN ANDRÉS LARRÁINZAR, 20 MAART. Uit de nevel doemt op drieduizend meter hoogte surrealistisch San Andrés Larráinzar op. In de koude motregen op het dorpsplein staan de restanten van een markt. Daarachter een rij militairen in groene poncho's van plastic, die een kordon vormen om een groepje gebouwen waar vredesbesprekingen worden gehouden tussen vertegenwoordigers van de Mexicaanse regering en rebellen van het Zapatisten Bevrijdingsleger (EZLN). Achter de soldaten een tweede kordon, ditmaal van vrijwilligers van niet-gouvernementele organisaties. Ten slotte een derde linie van leden van het Rode Kruis. Iedereen zwijgt.

Een vredesactivist op de markt houdt, zo zegt hij zelf, sinds mei vorig jaar een 'vredesvuurtje' gaande. Hij slijt eigengemaakte muziekcassettes om hout te kunnen kopen. Het wachten is tot ongeveer negen uur 's avonds, wanneer gewoonlijk mededelingen volgen over de voortgang van de besprekingen. In de kerk op het dorpsplein hangt een dikke walm van wierook, kaarsen en ander brandbaar materiaal. Maya-indianen zitten er te bidden tussen heiligenbeelden en vazen met bloemen.

De vredesdialoog moet leiden tot een definitief einde aan de opstand van indiaanse boeren die op 1 januari 1994 begon toen het EZLN zes stadjes in Chiapas binnenviel. Na tien dagen van vijandelijkheden tussen de guerrilla en het leger, met een saldo van ruim 150 doden, werd een wapenstilstand van kracht die tot op de dag van vandaag voortduurt. In januari bereikten de beide partijen een principe-overeenkomst over een verbreding van de rechten van de indiaanse bevolkingsgroepen in Mexico. De besprekingen die nu worden gevoerd moeten leiden tot een definitief vredesakkoord.

In de gebouwen in het centrum van San Andrés Larráinzar heeft een zo mogelijk nog surrealistischer tafereel plaats dan er omheen. Sinds een klein jaar onderhandelt de Mexicaanse overheid er met een aantal gemaskerde vertegenwoordigers van het EZLN. Enkelen dragen ook hoeden met kleurige linten; een vast onderdeel van de klederdracht van de Tzotzil-indianen uit Chiapas. Maar verder komt niemand veel meer te weten over de guerrilla-delegatie, behalve dat deze bestaat uit de Comandantes 'David', 'Tacho' of 'Trini'. Of het moet zijn dat de afgevaardigden van het EZLN hun gesprekspartners aan de andere kant van de tafel - beroepsonderhandelaars van de Mexicaanse overheid - het niet gemakkelijk maken.

De opstand van de indiaanse boeren in Chiapas heeft een merkwaardig verloop gekend. Nog nooit was een guerrillastrijd zo snel beëindigd als die van het EZLN. Begrijpelijk, want de naar schatting paar honderd slechtbewapende guerrilleros onder leiding van hun Subcomandante 'Marcos' hebben weinig militair gewicht in de schaal te leggen. De eerste besprekingen hadden nog plaats onder het presidentschap van Carlos Salinas de Gortari en leidden tot niets. Ruim een jaar geleden probeerde Salinas' opvolger, Ernesto Zedillo, nog even een law and order-aanpak, maar de kortstondige actie van het Mexicaanse leger leidde alleen maar tot internationale protesten. Sindsdien onderhandelt ook Zedillo met 'Marcos' en de zijnen, die nog steeds gemaskerd zijn en daarmee een unicum vormen in de guerrillageschiedenis van Midden-Amerika.

De besprekingen van San Andrés Larráinzar slepen zich voort. De onderhandelaars zijn het na afloop van een gespreksronde vaak oneens met elkaar wat precies besproken is. De Mexicaanse overheid lijkt bereid te zijn de indianen van Chiapas in materiële zin bij te staan en hun ook zeer beperkte autonomie te geven. Maar daar waar de eisen van het EZLN hun strikt lokale karakter verliezen en aansluiten bij wensen met een breed maatschappelijk draagvlak - zoals democratisering, eerlijke verkiezingen en een eind aan de corrupte hegemonie van de regeringspartij - geeft de regeringsdelegatie in San Andrés Larráinzar niet thuis. De strategie van de regering lijkt te zijn om het EZLN, waarvan de harde kern van guerrillastrijders tot ver in de jungle van Chiapas is teruggedrongen, aan het praten te houden zonder de rebellen de status te verlenen van een volwaardige politieke gesprekspartner.

Intussen hebben de indianen van Chiapas twee uiterst moeilijke jaren achter de rug. Weliswaar zijn de vijandelijkheden gestaakt, maar de situatie is nog verre van normaal. Met het EZLN in een defensieve, teruggetrokken positie heeft het leger in het hele conflictgebied kampementen ingericht. Chiapas is volledig gemilitariseerd, ofschoon het leger tracht niet al te opvallend aanwezig te zijn.

In Ocosingo, dat in de eerste dagen van januari 1994 het toneel was van hevige gevechten tussen het EZLN en het leger, zijn de militaire controleposten aan de ingang van de stad weliswaar opgeheven, maar het leger is er alom present. De aanwezigheid van de soldaten in de nabijheid van de indiaanse gemeenschappen rondom Ocosingo heeft volgens kerkelijke autoriteiten in de stad desastreuze gevolgen voor de Tzeltal-bevolking van het gebied.

Een lid van de mensenrechtencommissie van de kerk in Ocosingo zegt dat de oorlog op een laag pitje doorgaat. De kerk beschuldigt het leger ervan nachtelijke scheervluchten over de indianen-dorpjes uit te voeren, brandhout en dieren van de boeren te stelen en op grote schaal marihuana en alcohol in de gemeenschappen te introduceren. “Om negen uur 's avonds zijn al hele dorpen dronken. Door intimidatie tracht het leger de hoop van de mensen af te breken”, meent een lid van de kerk. Ook zouden soldaten jonge Tzeltal-meisjes aanzetten tot prostitutie, een tot nu toe ongekend verschijnsel in deze cultuur. De regering ontkent alle beschuldigingen en zegt de indiaanse boeren te helpen, bijvoorbeeld tijdens de oogst van de koffie.

De oogst, behalve van koffie vooral ook van maïs, is een tweede probleem voor de indiaanse boeren van Chiapas. Nadat 1994 wegens de vijandelijkheden een vrijwel verloren jaar werd, was de oogst vorig jaar ook aanzienlijk kleiner dan gebruikelijk wegens droogte. Bovendien vluchtten complete indianen-gemeenschappen de jungle in tijdens het kortstondige offensief in februari vorig jaar, dat samenviel met de cruciale zaaitijd. De vooruitzichten voor de komende oogst zijn evenmin gunstig, voedselhulp is noodzakelijk.

Ondanks een principe-akkoord dat rebellen en regering in januari sloten, is het wantrouwen onder de Chiapas-indianen nog groot. Op een steenworp afstand van waar vroeger aan de ingang van de stad Altamirano een controlepost van het leger stond, is nu een gloednieuw ziekenhuis verrezen van de federale sociale dienst IMSS, hoewel het oude San Carlos-ziekenhuis ruimschoots in de behoefte van Altamirano en omgeving voorziet. Zuster Patricia: “De mensen gaan naar het nieuwe ziekenhuis, krijgen er een gratis recept en komen dan bij ons om te vragen of dat recept wel in orde is. Ze vertrouwen de regering gewoonweg niet.” Dat wantrouwen is eeuwenoud en wordt bovendien niet weggenomen door de registratieprocedure van het nieuwe IMSS-ziekenhuis, waar patiënten eerst moeten vertellen van welke politieke partij ze lid zijn.