Zonder goede burgers blijft de democratie nergens

Voor een goede regering zijn drie dingen nodig: de competentie van de regeerders, hun bereidheid het algemeen belang te dienen en hun economische onafhankelijkheid. Burgerschapsdenkers bepleiten vormen van directe democratie, waarin elke burger in persoon deelneemt aan wetgevende beraadslagingen.

Maar, aldus Frits Bolkestein in een recente lezing over 'burgerschap en democratie', aan de Universiteit van Amsterdam, in een dergelijk stelsel kan aan de drie genoemde voorwaarden niet worden voldaan. Politiek is een vak - alleen van politici kan men verwachten dat ze deelbelangen tegen het algemeen belang kunnen afwegen, en economische onafhankelijkheid kan de staat haar burgers niet garanderen.

Onze huidige regeringsvorm, de representatieve democratie, is wat die criteria betreft beter. Hetgeen niet wil zeggen dat de praktijk niets meer te wensen overlaat. Hieronder volgt de slotpassage van Bolkesteins lezing.

Hoe staat het met de competentie van de volksvertegenwoordigers? Politiek is, zoals gezegd, een vak. Een goede uitoefening van het vak vereist een vakmatige theoretische ondergrond en veel praktische ervaring.

Tot nog niet eens zo lang geleden gold een curriculum met een gymnasium, een rechten-studie en een periode in de advocatuur als de beste voorbereiding op het politiek ambt. Zo gek was dat nog niet. Het verzekerde het land van volksvertegenwoordigers die het een en ander wisten van geschiedenis, de bronnen en hoofdlijnen van onze beschaving, het staats- en privaatrecht en de belangrijkste politieke wereldbeschouwingen. Bovendien had men in de advocatuur een zekere oefening in de welsprekendheid gekregen en in de praktische toepassing van het recht.

Deze traditionele weg als voorbereiding op het politieke ambt is zo goed als volledig verlaten en zal, als ik het goed zie, ook zo gauw niet weer worden betreden. Er zal iets anders op gevonden moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van intensievere kaderscholing door de politieke partijen, of door de oprichting van een universitaire opleiding die zich richt op het aankweken van de kennis en de vaardigheden die toekomstige politici nodig hebben. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de PPE, de 'Politics, Philosophy, and Economics'-opleiding zoals die in Oxford bestaat.

De gedachte dat politici geen specifieke competentie nodig hebben, omdat ze slechts de samenleving dienen af te spiegelen, lijkt me een fundamenteel onjuiste, die er ten onrechte van uitgaat dat de directe democratie het ideaal is en dat de representatieve democratie haar zoveel mogelijk dient te benaderen. Politici zijn meer dan doorgeefluiken van de vox populi. Ze moeten leiding geven en zo nodig, in het algemeen belang, afstand nemen van de vox populi.

Daarmee ben ik meteen bij het tweede criterium aangekomen: de bereidheid het algemeen belang te dienen. Ook op dit punt zijn de ontwikkelingen niet altijd even gunstig. Het gevaar komt van twee kanten. Ten eerste viert de belangendemocratie hoogtij. Veel partijen laten hun oren sterk hangen naar de polls. Allentwegen wordt gesproken over de 'kloof tussen de burger en de politiek', die gedicht zou moeten worden doordat politici beter naar de kiezers gaan luisteren. Ik ben er natuurlijk niet tegen dat er naar de kiezers geluisterd wordt, maar politici moeten wel beseffen dat ze een eigen verantwoordelijkheid hebben. De kiezer wordt geacht eenmaal in de vier jaar te oordelen over het gehele pakket, niet iedere week over elke willekeurige maatregel. Denk nog even aan Odysseus en de Sirenen.

Een tweede gevaar komt uit een hoek die op het eerste gezicht veel sympathieker is. Het gaat om de zogenaamde single-issue organisations, zoals Amnesty en Greenpeace. Die hebben een groeiende invloed op de politiek. Maar aan een afweging komen zij niet toe. Daarom mag hun invloed nooit te groot worden. De politiek dient een algemener belang en moet zich daarvan terdege rekenschap geven.

Het verdient in dit verband aanbeveling de invloed van allerlei geïnstitutionaliseerde overlegorganen, die in het verleden onder de noemer van harmoniemodel zijn opgericht, drastisch te beperken. Ze maken de overheid tot partij, terwijl de overheid boven de partijen dient te staan.

Ten slotte de economische onafhankelijkheid. Tot nog niet zo lang geleden was de hoogte van de vergoeding voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer, 'schadeloosstelling' genoemd, vergelijkbaar met de hoogte van het salaris van een modale ambtenaar. Dit terwijl ook toen van Kamerleden een bovengemiddelde prestatie werd verlangd.

Daar zat de gedachte achter dat bezoldiging van een volksvertegenwoordiger hem zijn geestelijke en morele onafhankelijkheid zou ontnemen. Volksvertegenwoordigers dienden men of independent means te zijn. Inmiddels is het Kamerlidmaatschap een min of meer gewone baan geworden met een maandelijkse vergoeding die alleen in naam nog niet een salaris is.

Op zich is deze ontwikkeling gunstig. Het Kamerlidmaatschap was voorheen alleen weggelegd voor welgestelden. Door de bezoldiging is het mogelijk geworden dat ook niet-gefortuneerde getalenteerden het Kamerlidmaatschap verwerven.

Maar dit positieve feit mag ons niet de ogen doen sluiten voor de minder gunstige aspecten van de invoering van de bezoldiging. Het Kamerlid verloor zijn economische onafhankelijkheid en daarmee althans een deel van zijn geestelijke onafhankelijkheid. Het zou derhalve geen kwaad kunnen de onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger te versterken.

Hoe dat precies moet weet ik niet. Maar misschien is de PvdA wel op de goede weg wanneer zij Kamerlid Rick van der Ploeg toestaat hoogleraar te blijven, hoewel ik niet weet of ook de universiteit daarmee op de goede weg is. Het is in ieder geval nodig erover na te denken. Ik sta open voor suggesties.

Tot zover de vertegenwoordigers in de representatieve democratie. En de kiezers, de burgers zelf? Aan hen behoeven in een representatieve democratie geen onmogelijke eisen te worden gesteld, zoals in een directe democratie, maar dit betekent niet dat voor hen in het geheel geen eisen gelden. Ook dat is een veel voorkomend misverstand. Een representatieve democratie vereist een min of meer welwillende en op hoofdlijnen redelijk accuraat geïnformeerde burgerij. De vereisten zijn dus beperkt, maar wel belangrijk.

In dit verband moet iets gezegd worden over de rol van de massamedia en de rol van het onderwijs. De massamedia spelen een zeer grote rol in het verschaffen van informatie over politiek. Het is van het grootste belang dat die informatieverschaffing degelijk en accuraat is. Indien de nadruk al te zeer komt te liggen op het amusementsgehalte van de politiek - 'welke koppen gaan er nu weer rollen' - zullen politici meer en meer cabaretiers worden. Dat zou een slechte zaak zijn.

Daar komt nog een overweging bij, die vooral op de radio en de televisie betrekking heeft. Vrijwel alle politieke zaken, tot de meest complexe aan toe, worden op radio en televisie vereenvoudigd tot eenvoudige kwesties, die liefst gecomprimeerd in een one-liner aan het publiek worden voorgeschoteld. Dit heeft onmiskenbaar zijn weerslag op de politiek. Een goed getimede kwinkslag verzekert van aandacht, een degelijke analyse van een ingewikkelde problematiek komt niet aan bod. Ook dit is een slechte zaak. Degelijke analyses zijn onmisbaar.

Dit soort van overwegingen vormt vaak de grondslag voor een pleidooi voor het publieke bestel. Ook het publieke bestel ontkomt echter niet aan de dwang van de kijkcijfers die amusement en one-liners voorschrijven. We dreigen op deze wijze dus tussen de wal en het schip te geraken.

Ik zie heel weinig in de beperking van de consumentensoevereiniteit. Een publieke zender met kwalitatief hoogstaande politieke programma's, maar waar door vrijwel niemand naar wordt gekeken, kost alleen maar geld.

Een uitweg moet worden gezocht in de vorming van preferenties, niet in het opleggen van beperkingen aan preferenties. Want ook de massamedia reageren, net als alle andere aanbieders op een markt van concurrenten, feilloos op de vraag. Verandert die, dan verandert ook het produkt.

Daarmee ben ik toe aan mijn laatste punt, een zeer passend punt trouwens, gegeven de plaats en het publiek: het onderwijs. Herhaaldelijk zijn we het onderwijs tegen gekomen als voorwaarde voor burgerschap. Het is een wezenlijk punt. Ook in een representatieve democratie moeten aan het onderwijs vanuit het oogpunt van burgerschap eisen worden gesteld. In tegenstelling tot het onderwijs in een directe democratie kan en moet het onderwijs hier in hoofdzaak afgestemd zijn op de eisen van de arbeidsmarkt. Men dient eerst en vooral een beroep te leren, om later zelfstandig en productief te kunnen zijn.

Het toekomstige beroep mag echter niet tot exclusief criterium worden. Een deel van het onderwijs dient gericht te zijn op de kennis en de vaardigheden die noodzakelijk zijn voor een goed burgerschap. Ik denk dan uiteraard in het bijzonder aan het onderwijs in de geschiedenis, de staatsinrichting en de maatschappijleer.