Voorbij de zwarte zieligheid

ROTTERDAM. Een computeruitdraai van het grootste antidiscriminatie-bureau van Nederland, RADAR, de Rotterdamse Anti Discriminatie Actie Raad. Over januari en februari zijn er bij het bureau in totaal 103 klachten binnengekomen. Een handvol arbeidsconflicten, een dansclub die donker gekleurde mensen weigert, wat racistische opmerkingen op het werk en aan de bar, een dertienjarige jongen die van een andere jongen een pak slaag krijgt, omdat hij niets tegen buitenlanders heeft, een werkgever die bij niet-blanke sollicitanten een kruis achter de naam zet, wat klad en schilderwerk: “Bekladdingen op bushalte 38 op Papenburg: wij gaan Joden vergassen, leve Adolf Hitler.” “Kralingen: hakenkruizen en runetekens.” “Spijkenisse: Ku Klux Klan op verkeersbord.” Het is de normale score voor de tijd van het jaar.

“We kregen vorig jaar zo'n zevenhonderd klachten, een recordaantal”, zegt adjunct-directrice Margriet Maris. “Dat heeft voor een deel te maken met het feit dat de laatste jaren allerlei dingen hardop gezegd worden die vroeger werden verzwegen, maar ook met de toegenomen aandacht voor racisme en discriminatie bij de slachtoffers zelf.”

Dat laatste verschijnsel weerspiegelt zich ook in deze uitdraai. Want wat moet je met een Marokkaanse man die klaagt over zijn huurschuld, een Turkse man die ruzie met zijn baas krijgt omdat hij te laat komt, een Duitse vrouw die wil scheiden en denkt dat haar man advocaten omkoopt, en nog enkele tientallen andere twijfelgevallen?

Ze blijven er nuchter onder, daar bij Radar. “Wij zijn bezig met de verzakelijking van de discriminatiebestrijding”, zegt Margriet Maris. Van preken en politieke correctheid moeten ze niet zoveel hebben. “De meeste mensen die hier komen moeten immers verder leven met hun bazen en hun buren, die hebben niets aan een oorlog over principes. Op discriminatie moet je vooral snel reageren, dat is het allerbelangrijkste.”

Met de Rotterdamse gemeentereiniging bestaat bijvoorbeeld een vaste afspraak dat racistisch kladwerk binnen achtenveertig uur verdwenen is. Toen in september vorig jaar opeens uit alle delen van de stad meldingen kwamen over scholieren die demonstratief de nationale driekleur op hun bomberjacks droegen, werden onmiddellijk alle scholen van Rotterdam benaderd met een plan van aanpak.

“We zagen het als een modegril met gevaarlijke kantjes, maar ook als iets wat je niet moet overdrijven”, vertelt stafmedewerkster Alina Cuartas de Marchena. “Bovendien moest tot alle prijs worden voorkomen dat je in een discussie verzeild raakte over wat er mis was met de Nederlandse vlag.” De gehanteerde methoden varieerden uiteindelijk van school tot school, van individuele gesprekken tot voorlichtingsbijeenkomsten. Maar de ingreep was succesvol. Toen tenslotte de publiciteit zich van de kwestie meester maakte, was in de Maasstad het ergste alweer achter de rug.

De meldingen worden zorgvuldig vastgelegd in een computerbestand, en als er opeens in bepaalde buurten een piek ontstaat wordt er actie ondernomen. Margriet Maris: “Als er in een buurt geklad wordt, of er worden brandjes gesticht, dan proberen we alle betrokkenen zo snel mogelijk op één lijn te krijgen. De mensen van gemeentereiniging zijn alert op alle leuzen, de politie zit achter de daders aan, de deelgemeente schrijft een stuk in de huis-aan-huis krant, de wijkorganisaties praten met de mensen, de scholen zitten erbovenop, zo organiseren we dat.” De verschillen tussen de zakelijke aanpak van de RADAR en de morele aanpak van veel andere anti-racisme groepen hebben voor een deel te maken met de ontstaansgeschiedenis van de diverse groepen. De meeste antiracismebureau's zijn ontstaan uit actiegroepen en richten zich op het behandelen van klachten. De RADAR is van origine een onderzoeksbureau, gericht op het voorkomen van racisme in zijn algemeenheid. Maar die zakelijke aanpak is ook iets van deze tijd. Margriet Maris: “We hoeven niet meer uit te leggen dat racisme slecht is. Als wij een bedrijf bellen dat er bij hen dat en dat is voorgevallen, dan weten ze dat ze een probleem hebben, daar hoeven we ze niet meer van te overtuigen.”

De fase van de 'bewustwording' en de morele aanpak heeft dus blijkbaar zijn langste tijd gehad, en dat heeft alles te maken met de toenemende integratie van allochtonen in de grote steden. Er beginnen zich nieuwe, meer nuchtere spelregels te ontwikkelen. “Discriminatie is verboden in de wet, net als winkeldiefstal, zo simpel is dat”, zegt Margriet Maris. “Maar veel mensen zijn er zó bang voor, dat ze er niet normaal op kunnen reageren. Of ze laten het liggen, of ze reageren er zo overdreven op dat ze nog grotere brokken maken dan wanneer ze niets zouden doen. Wij trainen personeelsfunctionarissen en andere direct betrokkenen daarin, en dat werkt.”

Het nieuwste project van RADAR doet de naam van het bureau eer aan: het is een uitgebreid computersysteem waarmee tussen de Rotterdamse instellingen meer en sneller informatie kan worden uitgewisseld, en waardoor vlugger probleemhaarden kunnen worden getraceerd. Maar tegelijk hebben ze bij RADAR geen enkele illusie dat ze daarmee die droevige reeks meldingen, iedere maand, de wereld uit kunnen krijgen. Margriet Maris: “Een samenleving die snel verandert, brengt altijd spanningen met zich mee. Veel groepen die zich met racisme bezighouden richten zich vooral op de ideeën van het publiek. Ik vind dat je bij discriminatiebestrijding vooral het accent moet leggen op het handelen van mensen. Wat er allemaal in hun hoofden omgaat, daarop heb je toch maar nauwelijks invloed. Als ze hun fatsoen maar houden.”

Schuldgevoel en bevoogding passen niet bij opvattingen over gelijkwaardigheid, dat is de boodschap van zowel het geschenk als het essay van deze boekenweek. Daarin gaat het over Afrika, en over Midden-Amerika. Maar ook in de Nederlanse steden zelf lijken de jaren van blanke bekering en zwarte zieligheid zo langzamerhand voorbij. De immigrant begint een normale, volwassen burger te worden, en die vraagt niet om boetedoening. Die wil harde regels en een heldere omgang. Die wil respect, en niets anders.