'Striktheid' criteria is vooral imago; Kok uit de bocht bij uitstel EMU

ROTTERDAM, 19 MAART. Liever uitstel van de startdatum dan het verzachten van de toetredingscriteria van de Economische en Monetaire Unie EMU. Met die illustere uitspraak brak premier Kok afgelopen vrijdag de rijen van de Europese regeringsleiders, die nog afgelopen december in Valencia hun mantra herhaalden van 'strikte criteria en geen uitstel'. Ook Europees Commissaris H. van den Broek betrekt in het CDA-partijblad de stelling van Kok: de naleving van de criteria heeft prioriteit, en dan pas volgt de startdatum.

Kok deed zijn uitspraak vrijdag in de context van teruglopende economische groei en oplopende werkloosheid in grote delen van Europa, en dan met name in Duitsland en Frankrijk, de twee lidstaten van de Europese Unie zonder welke een muntunie per 1999 ondenkbaar is. Het halen van de EMU-criteria wordt onder de huidige economische omstandigheden een flinke klus. Het 'peiljaar' 1997 dat geldt als maatstaf voor het voldoen aan de criteria, snelt naderbij. Begin '98 beslist de EU op basis van de gegevens over '97 wie mee kan doen of niet. Elke zinspeling op 'ruimere' criteria is in dit stadium financiële zelfmoord: de argwanende valuta- en kapitaalmarkt straffen mogelijke laksheid bij voorbaat af. Maar het het strenge imago van de criteria voor de EMU wijkt nogal van de letter van het Verdrag van Maastricht.

Voor de overheidsfinanciën is bekend dat het begrotingstekort niet hoger mag zijn dan 3 procent van het bruto binnenlands produkt en de staatsschuld niet meer dan 60 procent. Maar wie die drie procent net niet haalt, kan zich beroepen op 'Maastricht'. Dat stelt dat ook een begrotingstekort dat de drie procent niet raakt, maar er voortdurend en substantieel toe is genaderd, voldoende is. Ook wie altijd keurig onder de drie procent is gebleven, maar er door omstandigheden in 1997 net bovenuit komt, mag in het Verdrag rekenen op clementie. Ook het criterium voor de staatsschuld is niet hard. Wanneer de schuldquote groter is dan 60 procent van het bbp, maar het peil van 60 procent “in een bevredigend tempo” nadert, is dat voldoende. Dat 'bevredigende tempo' staat open voor overleg.

De inflatie, het derde criterium, mag volgens het Verdrag niet meer dan 1,5 procent hoger zijn dan het gemiddelde van 'ten hoogste' de drie lidstaten met het laagste inflatiepeil. Dit criterium is ronduit onduidelijk. Bij één land met de laagste inflatie zou het (gerekend naar OESO-projecties voor 1997) nu bijvoorbeeld gaan om een maximaal toegestane inflatie van 3,2 procent, maar bij de drie landen met de laagste inflatie om 3,4 procent.

Laatste criterium is de lange-termijnrente, gemeten als het rendement op tienjaars staatsobligaties. De toetredende lidstaten mogen geen lange-termijnrente hebben die 2 procent hoger is dan het gemiddelde van, alweer, de “ten hoogste drie” lidstaten die de laagste rente hebben. Dit criterium is een tautologie: hoe groter de kans dat een lidstaat tot de monetaire unie zal behoren, hoe meer de rente van die lidstaat op de kapitaalmarkt naar het gemiddelde van de andere toetreders wordt gedreven.

Het laatste criterium is wisselkoersstabiliteit. De munt van het toetredende land moet de twee jaar die aan de toetsing vooraf gaan lid zijn geweest van het wisselkoersmechanisme van het Europese Monetaire Stelsel, en daarin tussen de “normale” bandbreedte zijn gebleven. Die bandbreedte geeft aan hoeveel de koersen van de aangesloten munten van elkaar af mogen wijken, en was altijd maximaal 2,25 procent naar boven en naar beneden. Maar sinds de zomer van 1993, toen de deelnemende lidstaten onder druk van de valutamarkt de bandbreedtes verwijdden, is het tweemaal 15 procent. De ministers van financiën van de EU weigeren tot nu toe te zeggen welke van de twee bandbreedtes nu 'normaal' is.

Niemand minder dan Europees commissaris Leon Brittan zei vorige week in Londen dat als Groot-Brittannië in 1997 onder een Labour-regering alsnog zou willen toetreden, hij er zeker van is dat het politiek geen obstakel zal zijn dat het pond dan geen twee jaar deel heeft uitgemaakt van het wisselkoersstelsel. “Voor zo'n belangrijk lid knijpt men wel een oogje dicht.”

Zal Europa's grootste politieke project sinds het Verdrag van Rome in 1957 werkelijk worden uitgesteld op basis van een paar tienden van procenten begrotingstekort? Dat is onwaarschijnlijk. Kok's uitspraken zijn in politiek Den Haag dan ook als prematuur gekenschetst. Als het te zijner tijd van uitstel komt heeft dat eerder politieke oorzaken dan economische. Tot nader order geldt in Europa's harde kern: geen uitstel, en hopen dat de rek in de criteria groot genoeg is.