Stadsherstel behoudt huizen in oude stijl

Sinds 1956 heeft Stadsherstel 386 woningen in de Amsterdamse binnenstad aangekocht, waarvan er 350 zijn gerestaureerd. Op de wachtlijst staan tweeduizend woningzoekenden. “Vroeger wilde niemand in de binnenstad wonen, nu staan ze te dringen.”

AMSTERDAM, 19 MAART. Op zijn fiets doorkruist W. Eggenkamp dagelijks de binnenstad van Amsterdam. Wanneer zijn oog valt op een verpauperd pand stapt hij af, noteert straatnaam en nummer en begeeft zich naar het kadaster om te achterhalen wie de eigenaar is. Dan begint voor Eggenkamp, directeur van de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel N.V., de strijd. “Elke restauratie is een gevecht. De overheid trekt zich steeds meer terug, wat minder subsidie betekent, terwijl het kopen van panden veel geld kost, zeker in de binnenstad.” De laatste aanwinst van Stadsherstel is een uitgewoond pand uit 1910 in de Herenstraat. Het is geen monument, dus kans op monumentensubsidie is er niet. “We hebben het toch aangekocht, alleen moeten we nog anderhalve ton bij elkaar krijgen om het kostendekkend op te knappen.” Dat geld moet op 29 augustus binnen zijn, als Stadsherstel zijn 40-jarig jubileum viert.

Het begon met een bijeenkomst van de Amsterdamse Kring op 8 oktober 1954. Als spreker was de jonge beeldhouwer G. Brinkgreve uitgenodigd. Voor een uitgelezen gezelschap van schrijvers, hoogleraren en industriëlen hield hij een vlammend betoog over de situatie in de Amsterdamse binnenstad waar panden stonden te verkrotten, waar een concentratie van bedrijven dreigde, en waar het toenemende verkeer noopte tot uitbreiding van het wegennet. Hij riep de aanwezigen op Amsterdam weer te maken tot “de schoonste stad van Europa.”

Zijn pleidooi vond weliswaar gehoor, maar tot een brede discussie over de toekomst van de binnenstad kwam het niet meteen. Die barstte eind 1954 los toen de journalist J.C. Posch in het Algemeen Handelsblad onthulde dat er een voorstel lag van hoofdcommissaris van politie Kaasjager om in de binnenstad meer dan vijftien grachten te dempen en de verkrotting met de slopershamer te lijf te gaan. Kaasjager was in de arm genomen door burgemeester d'Ailly die de verkrotting en de verkeersproblemen voortvarend wilde aanpakken. Zijn parool was: city-vorming. De primeur van Posch ontketende een golf van paniek, aldus M. Burkunk in zijn boekje over de eerste tien jaar van Stadsherstel. Kranten stonden vol ingezonden brieven.

Op 30 augustus 1956 kwam de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel N.V. voor het eerst in vergadering bijeen. Met geld van aandeelhouders en subsidieverleners zou de restauratie en exploitatie van panden ter hand worden genomen, “in het bijzonder daar waar door stedelijke ontwikkeling woonruimte verloren dreigt te gaan die voor het stadsdeel karakteristiek is”, luidde de doelstelling.

De woonfunctie van de binnenstad speelde een ondergeschikte rol in het stedebouwkundig denken in de naoorlogse jaren. Om de woningnood te bestrijden verrezen wijken als Osdorp, Buitenveldert en later de Bijlmermeer. “In de visie van de bestuurders was de binnenstad er primair om te werken, te winkelen en om uit te gaan. Maar wij zijn monumentgek”, aldus Eggenkamp. Hij laat foto's zien uit de jaren vijftig waarop de gevolgen van dit denken duidelijk zichtbaar zijn: verkrotting op veel plaatsen in de binnenstad. “Helaas kan ik nog meer laten zien.”

In 1957 kocht Stadsherstel zijn eerste pand, Zandhoek 13, vlakbij het Centraal Station. Twee jaar later was de restauratie voltooid, compleet met trapgevel. Na tien jaar was Stadsherstel bijna failliet. Er werd zoveel aangekocht dat er te weinig geld overbleef om te restaureren, waardoor te weinig panden konden worden verhuurd. Het beleid werd aangepast en in totaal heeft Stadsherstel in de afgelopen veertig jaar 386 woningen aangekocht waarvan er 350 zijn gerestaureerd.

De omslag in het stedebouwkundig denken onstond na de metro-rellen, in de jaren zeventig. Bewoners van de Nieuwmarktbuurt verzetten zich met hand en tand tegen sloop van hun woningen. Ze gingen uiteindelijk overstag toen ze de verzekering kregen dat na de sloop nieuwbouw zou verrijzen precies op de plek waar de voorgevel van hun neergehaalde woningen had gestaan. Zo werd voorkomen dat de straten zouden worden verbreed, wat zeker tot meer autoverkeer zou hebben geleid.

Anders dan bijvoorbeeld Monumentenzorg wil Stadsherstel panden in hun oude staat terugbrengen. Monumentenzorg staat op het standpunt: we restaureren wat we aantreffen, niet hoe het ooit geweest is. Ooit zat op het pand Geldersekade 10 een bovenste gevellijst. Toen Stadsherstel dit pand in 1989 aankocht was die lijst er af. Ook was in de vorige eeuw de toegangstrap verplaatst van de begane grond naar het souterrain. Eggenkamp: “Wij kregen geen subsidie om dat te veranderen. Toen zijn we naar de Vereniging van vrienden van Stadsherstel gegaan en hebben ze om hulp gevraagd. Met hun financiële steun is de bovenste gevellijst weer aangebracht en staat de trap weer op de begane grond.”

Hoewel Stadsherstel volgens Eggenkamp “heel onvriendelijk is” voor woningzoekenden die zich willen inschrijven, staan tweeduizend mensen op de wachtlijst. We hebben zestig woningen per jaar te vergeven, maar dat schrikt niemand af. Vroeger wilde niemand in de binnenstad wonen, nu staan ze te dringen.”